In het huidige tijdsgewricht hebben we de opvatting Montesquieu dat de rechter niet meer is dan: ‘la bouche de la loi’ (de mond der wet) ver achter ons gelaten. We zitten in een tijdperk waar technologische en maatschappelijke ontwikkelingen elkander snel opvolgen. De rechter zal soms regels moeten (her)interpreteren. Daarnaast bevat de wet ook een heel aantal open normen welke nader ingevuld moeten worden, ook hier is altijd interpretatie vereist. Te gedetailleerde regelgeving zou averechts werken. Wetten kunnen niet alles regelen. Daarbij kunnen ze ook niet aan iedere nieuwe ontwikkeling worden aangepast, wetgeving tot stand brengen is immers een tijdrovend proces. Bovendien zou een overmaat aan detail averechts werken omdat de achterliggende bedoeling dan uit het zicht zou raken. Derhalve is interpretatie onvermijdelijk. Naast interpretatiemethodes worden in de rechtspraak ook logische redeneerwijzen gebruikt. Twee belangrijke exemplaren hiervan zal ik ook bespreken.

We kunnen een aantal ideaaltypische interpretatiemethodes onderscheiden. In de praktijk worden deze types vaak door elkaar gebruikt of gaan ze in elkaar over omdat ze in elkaars verlengde liggen.

Grammaticale interpretatie:
Deze vorm van interpretatie ligt het dichtst bij de opvatting van Montesquieu. De tekst van de wet wordt zo letterlijk mogelijk gelezen, daarmee is dit ook de meest strikte interpretiemethode. Overigens is nog wel jargon van toepassing en dat enkele woorden dus moeten worden verstaan in hun specifieke juridische betekenis.

Wetssystematische interpretatie:
Wetten zijn volgens een systeem opgezet. Op grond van de structuur van de wet kan een bepaalde bedoeling van de wetgever aannemelijk zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan in welke afdeling of welk hoofdstuk een bepaling staat.

Historische interpretatie:
De historische interpretatie kan worden onderverdeeld in twee varianten. Ten eerste de wetshistorische interpretatie; met name bij de interpretatie van recentere wetgeving kunnen we kijken naar de wil van de historische wetgever. Dit kan gebeuren aan de hand van de parlementaire geschiedenis welke laat zien welke overwegingen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de wet en waarvoor de wet precies bedoeld is geweest.
Een tweede variant is rechtshistorische interpretatie; hierbij kijken we niet alleen naar de wetsgeschiedenis maar ook naar de rechtsgeschiedenis die aan de wet vooraf ging. In het strafrecht zou men bijvoorbeeld kunnen kijken naar de Code Pénal.
Deze vormen van interpretatie kunnen ongeschikt zijn wanneer zich nieuwe maatschappelijke inzichten en ontwikkelingen voordoen.

Teleologische interpretatie:
In het verlengde van de wetshistorische interpretatie ligt de teleologische interpretatie. Hierbij gaat het om het doel van de tekst. We kijken niet maar naar de wil van de historische wetgever op basis van parlementaire stukken maar het tegenwoordige doel dat we in de tekst erkennen.

Rechtsvergelijkende interpretatie:
Bij deze wijze van interpreteren kijken we over de grens naar andere vergelijkbare rechtsstelsels om te zien hoe deze een regeling uitleggen. Dit is allicht voor lang niet alle bepalingen geschikt, zo kent bijvoorbeeld bijna ieder land wel een bepaling omtrent diefstal maar belastingwetgeving loopt internationaal bezien sterk uiteen.

Anticiperende interpretatie:
Bij anticiperende interpretatie loopt de rechter vooruit op een wetswijziging die gaat komen. Dit is allicht een interpretatiewijze waar zeer terughoudend mee moet worden omgegaan. De rechter past immers regelgeving toe die nog geen kracht van wet heeft.

Naast deze interpretatiewijzen zijn er nog twee redeneerwijzen welke in de rechtspraak vaak worden gebruikt:

A contrarioredenering:
A contrario betekent zoveel als vanuit het tegenovergestelde. Een stelling wordt bereikt door de stelling om te keren en dan te argumenteren dat de omkering zeker niet juist is. Met andere woorden: waar een wet een rechtsvraag niet behandelt, wordt de regeling niet van toepassing verklaard omdat er een overtuigend verschil bestaat. Dit alles voor zover een andere wettelijke bepaling de rechtsvraag niet al beantwoordt.
Een praktisch voorbeeld: iemand trappen is uitdrukkelijk verboden. Iemand slaan is niet verboden volgens die regel dus dat mag behoudens een wettelijke bepaling die ook dat verbiedt.

Analogie redenering:
Een redenering naar analogie of a simile betekent dat gelijke of gelijkende zaken op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gelijkheidsbeginsel van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: gelijke gevallen worden gelijk behandeld, ongelijke gevallen naar de mate waarin zij verschillen.
Ter invulling even hetzelfde voorbeeld als wat ik hierboven hanteerde maar dan met een analogische vergelijking: iemand trappen is uitdrukkelijk verboden, iemand slaan dus ook. Overigens merk ik hierbij nog wel op dat de analogie redenering in het strafrecht verboden is vanwege het legaliteitsbeginsel. De rechtszekerheid zou anders in het geding komen. In het burgerlijk recht is dit een minder groot probleem.

Tot besluit nog enkele opmerkingen. Dit zijn de meest voorkomende interpretatiewijzen en redeneerwijzen. Het is echter bij lange na geen uitputtende lijst. De literatuur staat vol met nog veel meer verschillende varianten. Voor wie een wat uitgebreider overzicht wil is het boek Encyclopedie van de rechtswetenschap: positief recht van P.B. Cliteur en A. Ellian een goed beginpunt.