Rechtsubjecten en rechtsobjecten gaan over een fundamenteel onderscheid in het recht dat in alle wetten speelt. Het kunnen onderscheiden van rechtssubjecten en rechtsobjecten is essentieel om de structuur en opzet van een wet te kunnen doorzien en bijgevolg ook om vraagstukken op tentamens op te kunnen lossen. Dit artikel geeft een korte inleiding tot de begrippen rechtssubject en rechtsobject. Het is geenszins uitputtend en ook niet als zodanig bedoeld.

Het gemeenschappelijke element:
De definities van het begrip rechtssubject en rechtsobject zijn op vele manieren geformuleerd en focussen meestal op de tegenstelling tussen het object en subject. Daarbij is het makkelijk om over het hoofd te zien dat beide begrippen iets gemeen hebben. Zowel het begrip rechtsobject als rechtssubject gaan over de verhouding tot rechten en verplichtingen. Het zal niemand verbazen dat het verschil zit in de verhouding tot die rechten en verplichtingen.

Rechtssubject:
Een rechtssubject is eenieder die deelneemt aan het rechtsverkeer en als zodanig een drager is van rechten en verplichtingen. Rechtssubjecten vallen uiteen in de categorieën natuurlijke personen en rechtspersonen.

Natuurlijke personen zijn personen van vlees en bloed met een identiteit, afstamming, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht en nationaliteit. Het begrip natuurlijk persoon is strikt een juridisch en geen biologisch begrip. Om die juridische erkenning te verwerven wordt in Nederland een geboorteakte opgemaakt in een gemeentelijk register. Zodra een natuurlijk persoon ‘bestaat’ is deze onmiddellijk drager van rechten en verplichtingen.

Rechtspersonen zijn juridische constructies die in het rechtsverkeer kunnen optreden zoals ook een natuurlijk persoon dat zou doen. De wet is niet bijzonder strak in het definiëren van wat rechtspersoonlijkheid precies is anders dan het geen in artikel 2:5 BW vermeld staat: “Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.” We zeggen ook wel dat een rechtspersoon, gelijk een natuurlijk persoon, rechtspersoonlijkheid heeft. De rechtspersoon is één van de belangrijkste ficties in het recht.

Rechtspersonen vallen op hun beurt ook weer uiteen in twee categorieën te weten privaatrechtelijke rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen. Privaatrechtelijke rechtspersoon komt tot stand door een vrijwillige oprichtingshandeling van één of meerdere partijen. Een publiekrechtelijke rechtspersoon komt tot stand door een daartoe strekkende actie van de overheid.

Rechtsobjecten:
Rechtsobjecten zijn goederen of voorwerpen waarover rechten en verplichtingen kunnen bestaan. Rechtsobjecten kunnen derhalve zelf nimmer drager zijn van rechten en verplichtingen. Het gaat daarbij met name om goederen, producten en diensten maar het kan ook om abstracter begrippen gaan.

Een praktisch voorbeeld:
Om het plaatje wat in te kleuren zullen we kijken naar het voorbeeld van de belastingplicht in de inkomstenbelasting als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Het is goed om in het achterhoofd te houden dat het rechtssubject en -object niet noodzakelijkerwijs in slechts één artikel worden aangeduid.

Om het rechtssubject te vinden moet je de vraag beantwoorden op wie iets betrekking heeft. Om het rechtsobject te vinden moet je vraag beantwoorden op wat iets betrekking heeft. De sleutelwoorden in de artikelen die deze vragen beantwoorden zijn gecursiveerd in onderstaande tekst.

Een eerste indicatie met betrekking tot belastingplichtig zijn vinden we in artikel 1.1 IB. Daar staat dat onder de naam inkomstenbelasting een belasting wordt geheven van natuurlijke personen. Dit betekent tevens dat rechtspersonen als rechtssubjecten buiten het bereik van deze wet vallen.

Als we verder kijken zien we in artikel 2.1 IB dat belastingplichtigen natuurlijke personen zijn die in Nederland wonen of personen die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten. Dit is dus de subjectieve belastingplicht.

Vervolgens gaan we kijken naar het rechtsobject, in casu dus waarover belasting wordt geheven. Het geheel van de objectieve belastingplicht word omschreven in artikel 2.3 IB. Daar staat de inkomsten belasting wordt geheven over het door de belastingplichtige (=het rechtssubject) in een kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen.

Dit is een vrij algemeen voorbeeld over hoe je subject en object van elkaar kunt onderscheiden. Het is een nuttige truc om bij een tentamen goed te beheersen, denk altijd na over wat er precies wordt gevraagd. Heeft deze vraag betrekking op het subject of op het object van de wet? Waar ga ik zoeken voor het antwoord?
Je zult zien dat sommige artikelen zowel kwalificaties eisen van het rechtssubject als van het rechtsobject willen ze van toepassing zijn. Maak dat onderscheid goed en toets verschillende criteria altijd los van elkaar. Het aanbrengen van systematiek zorgt voor een beter overzicht en een kleinere kans dat er een relevant detail wordt gemist.

Conclusie:
Het onderscheid tussen subjecten en objecten binnen het recht is één van de basisbeginselen. Het bereik van de wettelijke regeling wordt vaak opgehangen aan zowel een rechtssubject en rechtsobject. Het is belangrijk om goed te realiseren waar je exact mee bezig bent om concrete vraagstukken te kunnen oplossen.