Het is sinds de modernisering van het vergunningsstelsel onder voorwaarden mogelijk om te bouwen zonder te beschikken over een vergunning. Om vergunningvrij te kunnen bouwen in een achtererfgebied geldt dat het voor ten hoogste 50% bebouwd mag zijn. Hoewel deze regel vrij duidelijk is, is wat precies bij het achtererfgebied hoort nog wel eens onderwerp van discussie. Van brandgangen weten we sinds vorig jaar dat ze niet bij het achtererf horen, maar hoe zit dat met een voetpad?

Vergunningvrij bouwen:
Alvorens verder te gaan met de zaak, eerst een korte uitleg over de regelgeving. De hoofdregel voor het verkrijgen van vergunningen wordt gegeven in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) brengt hier een nuancering op aan. In afwijking van de Wabo is geen omgevingsvergunning vereist voor de categorie├źn van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II, het achtererfgebied valt binnen deze categorie.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II wordt achtererfgebied gedefinieerd als: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

De feiten:
Het strijdpunt is eigenlijk bijzonder eenvoudig. Aan de achterzijde van een woning ligt een tuin met een schuur. Achter die schuur is een voetpad wat van de bewoner is maar door omwonenden wordt gebruikt vanwege een recht van overpad wat er op rust. De gemeente weigert handhavend op te treden tegen bouwwerkzaamheden die plaatsvinden omdat ze volgens haar binnen de vergunningvrije regeling vallen. Een appellant is het daar niet mee eens.

Twistpunt daarbij is of de oppervlakte van het voetpad wel of niet moet worden meegerekend. De gemeente vindt van wel en de appellant vindt van niet. De rechtbank Amsterdam stelde eerder de appellant in het gelijk.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Uit een bestemmingsplan kan volgen dat bepaalde verder van het hoofdgebouw afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Blijkens de plankaart rust op het deel van het perceel dat achter de schuur is gelegen, waaronder het voetpad, ook de bestemming “Woningen met tuinen en erven”.

Dat heeft tot gevolg dat de bestemming niet in de weg staat aan het gebruik van het achterste deel van het perceel als erf. Het gedeelte van het perceel dat achter de schuur ligt, is direct bij het hoofdgebouw gelegen en feitelijk ingericht ten dienste van het gebruik van de woning overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Derhalve heeft de gemeente terecht geoordeeld dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% is bebouwd.

Conclusie:
De gemeente wordt in het gelijk gesteld. Het voetpad hoort tot het achtererfgebied. De bestemming staat niet in de weg aan gebruik als erf en het voetpad staat feitelijk ten dienste van het gebruik van de woning.

Het feit dat ook omwonenden van het voetpad gebruik maken en dat er een recht van overpad op is gevestigd, maakt verder niet uit.

Bron:
LJN: BY7347, Raad van State

Comments closed.