Advocaten dienen de belangen van hun cliënten te behartigen. Daarbij dienen zij zich echter wel professioneel op te stellen en niet (verbaal) te werk gaan als een hooligan in tenue de ville. In onderhavige zaak kreeg een advocaat een berisping van de tuchtrechter omdat hij middels uitlatingen de grenzen van wat tuchtrechtelijk aanvaardbaar is overschreed.

De feiten:
Klaagster en haar voormalig echtgenoot zijn verwikkeld in een (v)echtscheiding waarbij ondermeer de hoogte van de (kinder)alimentatie alsmede de zorgregeling onderwerp van geschil zijn. Klaagster is zelf mogelijk niet helemaal zuiver bezig. In het appèlrekest ingediend door de advocaat in de echtscheidingszaak staat:

“tijdens het aangaan van de overeenkomst zat de vrouw al in de ziektewet. Zij kon dus voorzien dat zij zich zou laten afkeuren als de “ziektebeelden” door zouden gaan. Nadat de vrouw zich had laten afkeuren, meldde één van de dochters vervolgens aan de man dat “mama iets had verzonnen om meer geld te krijgen”(…)”.

Het was dus waarschijnlijk bepaald geen gezellige echtscheidingszaak waarbij de klaagster er wellicht op uit was om haar ex een poot uit te draaien. Bovenstaande passage is niet bepaald neutraal van taalgebruik en opzet, maar de trend zet zich door.

Een volgende passage in het appèlrekest luidt:

Het appèlrekest bevat voorts de volgende passage: “Door de bestreden beslissing van de rechtbank Haarlem zal de vrouw de komende jaren ’s- ochtends kunnen uitslapen. Zij hoeft immers niet te gaan werken en als zij ooit zal gaan werken, krijgt zij daardoor minder bijdrage van de man te accepteren. Dat zal zij dus nooit doen. De calculerende burger.”

Maar het wordt nog beter:

“De vrouw heeft met de man een alimentatieovereenkomst gesloten. De man mag haar aan die overeenkomst houden, met name omdat de wijziging van omstandigheden waar zij zich op beroept, door haar voorzienbaar was. De vrouw is al jaren bezig zich met allerlei vage klachten ziek te houden en zat ten tijde van de alimentatieovereenkomst al in de ziektewet. Het feit dat zij ooit in de WIA zou belanden had zij derhalve al voorzien bij het aangaan van de alimentatieovereenkomst.

Goed, de klaagster in kwestie wordt dus uitgemaakt voor een calculerende burger en, kort samengevat, manipulatieve hypochonder. Klaagster stelt dat de advocaat zich in strijd met art. 46 Advocatenwet onnodig grievend heeft uitgelaten over haar. De Raad van Discipline te Amsterdam buigt zich over de zaak.

Afwegingen van de Raad:
De advocaat heeft een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Een onnodig grievende uitlating is een dergelijke beperking.

De raad vind de passages de grens van onnodig grievend zijn overschrijden. De eerste passage doet geen recht aan het objectieve oordeel van de keuringsarts geen rol speelt als ware het of een persoon zelf bepaalt of hij of zij in aanmerking komt voor een sociale verzekeringsuitkering.

De tweede passage zet een zeer negatief beeld van klaagster neer. Een advocaat moet er in echtscheidingszaken juist zorg nemen niet onnodig tussen voormalig echtgenoten te stoken. Dit geldt eens temeer als er kinderen in het spel zijn.

De derde passage overschrijdt de tuchtrechtelijke grens om dezelfde redenen als de eerste passage. Het is de keuringsarts bepaalt of een uitkering wordt toegekend. Voor alle passages geldt dat zij genuanceerder verwoord hadden kunnen worden.

De advocaat stelt overigens nog dat de woordkeuze wenselijk was om het standpunt van zijn cliënt aan het gerechtshof over te brengen. De raad gaat hier niet in mee nu niet valt in te zien waarom het standpunt van de cliënt van verweerder niet op meer respectvolle wijze onder woorden kon worden gebracht, zonder dat afbreuk werd gedaan aan de kern van de stellingen van de cliënt van verweerder in de procedure.

Conclusie:
Een advocaat heeft vrij ruime beoordeelingsvrijheid bij het behartigen van de belangen van zijn cliënt. Uitlatingen kunnen daarbij door de wederpartij soms als grievend worden ervaren maar de tegenpartij moet ook niet al te snel op zijn ziel getrapt zijn. Dat is echter geen reden om je buiten de fatsoensgrenzen te begeven.

Nu kan er best enige mate van discussie bestaan over wat te gelden heeft als “onnodig grieven” maar in dit geval is de grens gepasseerd. Iemand uitmaken voor calculerende burger is, hoe eloquent ook, in deze context onnodig grievend.

Bron:
Raad van Discipline Amsterdam bij beslissing van 12 december 2012 in de zaak 12–101H

Comments closed.