Aan het hebben van de Nederlandse nationaliteit zijn veel voordelen (en ook wat nadelen) verbonden. Zo is het recht op kinderbijslag bijzonder prettig op het moment dat je kinderen hebt. Als je Nederland als vreemdeling verblijft dan heb je geen recht op kinderbijslag.

De feiten:
De ouders in onderhavige zaak zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet. Enkelen verblijven wel al jaren in Nederland. De Koppelingswet sluit hen echter uit van de aanspraak op verzekering voor de kinderbijslag. Deze zaak draait om de vraag of die uitsluiting discriminatie oplevert volgens internationaal recht. Meer specifiek is in het geding of de uitsluiting in strijd met het recht op familie- en gezinsleven in samenhang met het verbod van discriminatie.

In de aanloop richting Hoge Raad volgden verschillende rechtbanken het standpunt van de SVB dat ouders geen recht hadden op de kinderbijslag. Bij de Centrale Raad van Beroep werden de ouders wel in het gelijk gesteld. Het effect van de Koppelingswet zouden disproportioneel zijn en ouders zouden mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn.

Overwegingen en oordeel van de rechter:uitsluiting Volgens de Hoge Raad is uitsluiting van de kinderbijslagverzekering is niet in strijd met het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) in samenhang met het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM).

De Koppelingswet strekt ter ondersteuning van het Nederlandse immigratiebeleid. Staten mogen bij maatregelen inzake immigratie onderscheid maken naar nationaliteit. Verder heeft het EHRM ten aanzien van maatregelen die een effectieve implementatie van het integratiebeleid beogen in het kader van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven overwogen dat die maatregelen het economisch welzijn van het land beogen te beschermen en daarom een legitiem doel nastreven.

Daarnaast is van belang dat het voorwerp van geschil in de onderhavige gevallen de sociale zekerheid betreft. Op dat gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gevallen die voor de toepassing van de onderhavige verdragsbepalingen als gelijk worden beschouwd, niettemin in verschillende zin te regelen.

Kinderbijslag is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten daarvan. Kinderbijslag behoort niet tot die sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Een afwijkende behandeling is derhalve gerechtvaardigd.

Ook van belang is dat de Koppelingswet wil voorkomen dat vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, of die enkel op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw rechtmatig in Nederland verblijven, in staat zouden worden gesteld tot voortzetting van dat verblijf. Zo zou de schijn van legaliteit kunnen worden verworven, of een zodanig sterke rechtspositie opgebouwd – of de schijn daarvan – dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

Kennelijk vond de wetgever het niet wenselijk dat de betrokken vreemdelingen, aan wie (nog) geen verblijfsvergunning is verleend en bij wie ermee rekening moet worden gehouden dat zij het land zullen moeten verlaten, in de periode totdat daaromtrent zekerheid ontstaat recht hebben op sociale zekerheidsuitkeringen op eenzelfde niveau als
rechtmatig verblijvenden (en Nederlanders).

De uitsluiting van kinderbijslag staat in een redelijke en proportionele verhouding tot dat legitieme doel. Dit wordt niet anders indien belanghebbenden met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijven.

Conclusie:
De ouders in deze zaak zijn in verband met hun verblijfsstatus niet verzekerd voor de kinderbijslag. Zij zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet.

De kinderbijslag dient echter niet om hun bestaansminimum te verzekeren. Evenmin is er sprake van ongerechtvaardigde discriminatie dan wel schending van het recht op familie- en gezinsleven. Staten hebben waar het op hun economische en sociale zekerheidsbelangen aankomt, een grote beoordelingsvrijheid.

Het gekozen middel is volgens de Hoge Raad niet disproportioneel om de gekozen doelen te bereiken. Dat is voor de ouder in kwestie pure pech.

Bron:
LJN: BW7740, Hoge Raad

Comments closed.