Het rechts- en handelsverkeer wordt steeds grensoverschrijdender. Dit brengt veel vragen met zich mee, onder meer over de bevoegdheid van de rechter. Welke rechter is bijvoorbeeld bevoegd in het geval van een verzoek om een negatieve declaratoire uitspraak bij grensoverschrijdende onrechtmatige daad? Dankzij een prejudiciële vraag van de Duitse rechter hebben we nu het antwoord op de vraag.

De feiten:
De in Zwitserland gevestigde onderneming Folien Fischer houdt zich bezig met gelamineerde papierwaren en folies. Fofitec, die eveneens haar zetel in Zwitserland heeft en deel uitmaakt van de ondernemingsgroep Folien Fischer, is houdster van octrooien ter bescherming van bepaalde producten.

De in Italië gevestigde onderneming Ritrama ontwikkelt, produceert en verkoopt verschillende soorten laminaat en veredelde folie. Ritrama stelt dat Fisher in strijd handelt met het kartelrecht door het bieden van oplopende kortingen in verhouding tot de gekochte hoeveelheid, en de weigering haar octrooilicenties toe te staan.

Folien Fisher vroeg vervolgens een verklaring aan dat haar handelswijze niet in strijd is met het recht.

De rechtsvraag:
Artikel 5 van de verordening bepaalt in punt 3: “Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: (3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”.

De Duitse rechter vraagt zich nu af of het artikel zo moet worden uitgelegd, dat de bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit onrechtmatige daad ook kan worden toegepast met betrekking tot een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht, die een potentiële schadeveroorzaker heeft ingesteld teneinde te doen vaststellen dat de potentiële benadeelde op basis van een bepaald feitencomplex geen aanspraak uit hoofde van onrechtmatige daad (in casu: schending van kartelrechtelijke bepalingen) zal kunnen doen gelden?”

In andere woorden: is het voor de rechter mogelijk om zonder strijd met het Europese recht een declaratoir vonnis uit te spreken gericht op het ontkennen van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad?

Overwegingen en oordeel van het HvJEU:
Een negatief declaratoire vordering is een ietwat vreemd verschijnsel omdat zij een omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit onrechtmatige daad inhoudt. De eiser is de potentiële schuldenaar van een op een onrechtmatige daad gebaseerde vordering is, terwijl de verweerder de vermeende benadeelde van die daad is.

Het doel van de verordening verzet zich niet tegen een situatie waarin een declaratoir vonnis ook onder artikel 5 van de verordening valt. Een vordering uit onrechtmatige daad hoeft immers niet per salso door de benadeelde te worden ingesteld. De belangen van de verzoeker van een negatief declaratoire vordering zijn niet dezelfde als die van degene die een vordering instelt tot vaststelling dat de verweerder aansprakelijk is voor een bepaalde schade en hem te doen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. De rechter oordeelt echter wel over hetzelfde feitencomplex.

Ook een negatieve declaratoire vordering kan derhalve worden ingesteld zowel in lidstaat waar de schade intreedt als waar de schade wordt veroorzaakt.

Conclusie:
Een negatieve declaratoire vordering is het spiegelbeeld van de gewone onrechtmatige daad vordering. De rechter onderzoekt in beide gevallen dezelfde feiten en een vordering hoeft niet per sé door de benadeelde ingesteld te worden. Het is dan ook logisch dat de negatieve declaratoire vordering ook onder de reikwijdte van artikel 5 van het verdrag kan worden gebracht.

Bron:
HvJ EU 25/10/2012, zaaknr. C-133/11, Folien Fischer

EU-Hof erkent bevoegdheid van rechters zowel in lidstaat waar de schade intreedt als waar de schade wordt veroorzaakt via minbuza.nl

Comments closed.