Het ministerie van Financiën heeft bijzonder duidelijk verkondigd dat het verlaagde tarief van de overdrachtbelasting (2% in plaats van 6%) niet geldt voor bouwpercelen. Om voor het verlaagde tarief in aanmerking te komen moet ten minste de fundering van de woning zijn gerealiseerd. Reeds eerder probeerde iemand met een beroep op het gelijkheidsbeginsel om toch ook het lage tarief van toepassing te laten zijn. De les is kennelijk nog niet geleerd want nu probeert weer een ander het met wederom een beroep op het gelijkheidsbeginsel (en wederom bij dezelfde rechtbank).

De feiten:
Eiser heeft op 29 december 2011 de eigendom van een perceel verkregen. In de akte is onder meer vermeld dat het verkochte door de koper zal worden gebruikt voor het stichten van een woning.

Het perceel was ten tijde van de levering nog niet bouwrijp. Ook was nog geen bouwvergunning afgegeven. Wel was in het bestemmingsplan al een woonbestemming toegekend.

De eiser heeft 6% overdrachtsbelasting al voldaan en is in bezwaar gegaan. Dit werd afgewezen dus nu volgt beroep bij de rechter.

Overweging van het beroep:
Net als bij de eerdere uitspraak start de rechter met de relevante regelgeving te bekijken, zijnde het besluit zelf en de antwoorden op de antwoorden op vragen gesteld door de KNB. Daaruit volgt dat grond bestemd voor woningbouw expliciet is uitgesloten. Op grond van het Besluit heeft de eiser dus geen recht op de verlaagde BTW.

Een nieuwe woning in aanbouw kan voor de maatregel toch als woning worden aangemerkt als de fundering is aangebracht. Ook hier is echter geen sprake van nu er nog niets in aanbouw is. Het gaat immers slechts om een lap grond.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel het moet gaan om gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Om te bepalen of sprake is van gelijke gevallen, is de achtergrond van de tariefsverlaging van belang.

De achtergrond van de maatregel was om de bestaande woningmarkt te stimuleren. De aankoop van een perceel grond met woonbestemming met de bedoeling daarop een woning te bouwen, stimuleert de woningmarkt niet op eenzelfde wijze als de aankoop van een bestaande woning. Het realiseren van een nieuwe woning zorgt er namelijk voor dat er meer woningen op de markt komen, terwijl het de wetgever er met de tariefsverlaging juist om te doen was te bevorderen dat mensen hun woning kwijt kunnen.

Dat eiser bijdraagt aan de doorstroming op de huizenmarkt omdat hij een huurwoning verlaat, heeft niet tot gevolg dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen. Met de tariefsverlaging is beoogd de verkoop van woningen te stimuleren. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de koper die een huurwoning verlaat en de koper die een koopwoning verlaat.

Eiser merkt tevens terecht op dat hij wel in aanmerking zou komen voor het lage tarief indien hij een sloopwoning zou hebben gekocht. Ook een sloopwoning is echter een bestaande woning en valt binnen de doelstelling ‘het stimuleren van de markt voor bestaande woningen’.

Dit geldt zo op het eerste gezicht in mindere mate voor woningen in aanbouw waarvan alleen nog maar de fundering is aangebracht en waarop het verlaagde tarief wel van toepassing is. Woningen in aanbouw zijn echter in de meeste gevallen onderworpen aan de heffing van omzetbelasting. Dat is slechts anders indien een niet-ondernemer een woning in aanbouw verkoopt waarbij wel sprake van heffing van overdrachtsbelasting. Het zal dan gaan om particulieren die een nieuwbouwwoning hebben gekocht en voordat de woning is afgebouwd deze om wat voor reden dan ook weer willen verkopen. Ook dit valt binnen de doelstelling van de tariefsverlaging om te bevorderen dat mensen hun woning kwijt kunnen.

Verder staat vast dat eiser door het bouwen van een woning de economie stimuleert. De tariefsverlaging in de overdrachtsbelasting is echter niet ingevoerd om de economie in haar algemeenheid te stimuleren, maar heel specifiek om de markt voor bestaande woningen te stimuleren.

Het beroep wordt dus verworpen.

Conclusie:
Hoewel de insteek van deze eiser wat anders is dan die van eiser in de vorige zaak (die stelde dat hij op oneigenlijke gronden gelijk werd gesteld aan een projectonwtikkelaar), is het resultaat desalniettemin hetzelfde. Het is en zal moeilijk blijven om met een beroep op het gelijkheidsbeginsel bouwgrond onder het lage tarief te krijgen. De regeling ziet immers zeer specifiek op het stimuleren van de markt van bestaande woningen. Daarnaast kan er geen enkele discussie zijn over de vraag of grond met een woonbestemming er al onder valt want dat is in het besluit expliciet uitgesloten.

Tenzij iemand bijzonder goede argumenten vind waarom hij toch de bestaande woningmarkt stimuleert door een nieuwe woning te bouwen, zal er aan dit soort beroepen weinig eer te behalen zijn.

Bron:
LJN: BY1377, Rechtbank Arnhem

Comments closed.