Het is nu eenmaal een feit dat de liefde tussen echtelieden soms na enige tijd bekoelt. Een echtscheiding is dan het gevolg. Een complicerende factor in een dergelijke situatie is de aanwezigheid van kinderen. Er moet bepaalt worden waar zij hun primaire verblijfplaats zullen krijgen en welke ouder waarvoor verantwoordelijk is, hoe de financiën geregeld moeten worden enzovoorts. In veel gevallen verloopt dat uitstekend om niet te zeggen welhaast zakelijk. Er zijn echter ook tal van echtscheidingen waarbij de voormalig echtgenoten in spe elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hun persoonlijke ruzie wordt dan uitgevochten over het hoofd van de kinderen. Naar aanleiding van een rapport van de Ombudsman onderzoekt de Rechtspraak nu of er aparte procesvertegenwoordiging moet komen voor kinderen bij een problematische (v)echtscheiding.

Problematiek bij echtscheidingen:
Voor kinderen is een scheiding een proces dat hun leven danig kan ontwrichten. Kinderen van gescheiden ouders zijn in de regel ook vatbaarder voor problemen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Bij ernstige echtscheidingen gebruiken de ouders de kinderen soms om elkaar onder druk te zetten. Dit kan zulke vormen aannemen dat de rechter op advies van de Raad voor de Kinderbescherming de kinderen onder toezicht moet stellen. Een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg raakt dan betrokken bij het gezin en heeft tot taak de omgang tussen beide ouders en de kinderen te bevorderen.

De gezinsvoogden komen meestal pas om de hoek kijken op het moment dat bijna een staat van openlijke oorlog is bereikt. Het is dan lastig om nog iets te redden. Bovendien krijgen de ouders er nog een vijand bij in de vorm van de gezinsvoogd. Dit brengt met zich mee dat er veel klachten volgen over vooral de partijdigheid van Bureau Jeugdzorg. De relatief late ondertoezichtstelling verkleint de kans op een goede afloop enorm. Bovendien wordt er nu geen data verzameld over de mate van succes van dit soort ondertoezichtstellingen. Dit is mede vanwege het feit dat het lastig om vast te stellen wat nu precies als ‘succes’ moet gelden.

De Ombudsman heeft derhalve onderzoek verricht naar onder meer de mogelijkheden om een dergelijke situatie te voorkomen. Eén van de aanbevelingen uit het rapport is dat kinderen in echtscheidingszaken vaker een eigen vertegenwoordiger moeten krijgen. Hoewel het rapport meer aanbevelingen bevat, laat ik die even buiten beschouwing. De aanbevelingen over de uitvoering van ondertoezichtstelling betreffen namelijk Bureau Jeugdzorg en niet de Rechtspraak als zodanig welke slechts een marginale toetsingsrol heeft.

De aanbeveling:
Er wordt een drietal aanbevelingen gedaan in het rapport:

  1. Kinderen zouden een aparte procesvertegenwoordiger moeten krijgen.
  2. Elke zaak zou aan één rechter gekoppeld moeten zijn.
  3. Indien het inzetten van een gezinsvoogd onvermijdelijk is, dan moet deze bij het proces aanwezig zijn en hun autoriteit moet door de rechter meer worden ondersteund.

Hier zijn wel wat observaties bij te maken. Zo is het inzetten van een procesvertegenwoordiger voor een kind door een kinderrechter geen nieuw verschijnsel. Zo wordt een advocaat ingeschakeld wanneer het kind erom vraagt of omdat de rechter van mening is dat ouders en kinderen tegenstrijdige belangen hebben, bijvoorbeeld in discussies over de omgangsregeling. De Rechtspraak bekijkt momenteel of inzet van procesvertegenwoordigers voor kinderen vaker plaats moet hebben en zoja in welke gevallen.

Het tweede en derde punt bezien met name organisatorische aspecten. Zo kan bij zaken het gebruik van meerdere rechters nodig zijn wanneer snelheid geboden is of wanneer zaakstermijnen anders overschreden worden. De mogelijkheden tot het aanwijzen van één rechter per zaak wordt ook onderzocht maar het zal wel even op zich laten wachten hoe de resultaten daarvan precies gaan worden nu de herziening gerechtelijke kaart in volle gang is en ook veel tijd wordt besteed aan het onderwerp van gerechtelijke specialisatie. Aan de andere kant is het nu er toch geklust wordt aan het rechterlijk bestel wel een geschikte tijd om ook dit onderwerp mee te nemen.

De aanwezigheid van gezinsvoogden bij een zitting is wellicht wat gecompliceerder. Momenteel stuurt Bureau Jeugdzorg meestal een bureauvertegenwoordiger naar de zitting. In een zitting worden vaak een zeven tot negen zaken behandeld. Het kan lastig zijn om daarvoor alle gezinsvoogden op te laten draven. De rechter zal het ook in lang niet alle gevallen nodig achten om de gezinsvoogd te horen. In de zaken waar dat wel nodig is wordt de gezinsvoogd opgeroepen of als het tijdens zitting blijkt, dan wordt de zaak aangehouden tot later datum. Het is dus maar de vraag of een dergelijk systeem niet bijzonder inefficiënt zou zijn. Bovendien kost het komen opdraven voor een zitting ook de gezinsvoogden veel tijd die wellicht beter aan iets elders besteed kan worden.

De constatering dat de rechter de gezinsvoogd moet ondersteunen in zijn gezag is een open deur intrappen. Een rechter die beslist dat er een ondertoezichtstelling plaats gaat vinden, legt aan de ouder(s) echt wel uit dat het geen vrijblijvende suggestie is en dat hun gezag en bewegingsvrijheid ingeperkt zullen worden.

Desalniettemin vallen er uit het rapport wel een aantal goede, zij het vrij brede aanbevelingen te halen. Ingrijpen voordat een situatie volstrekt uit de hand loopt is beter dan interveniëren als er praktisch een oorlog is uitgebroken. Ook is het noodzakelijk dat er een goed overzicht blijft van dossiers binnen de keten. Rechters staan onvermijdelijk altijd op meer afstand dan directe toezichthouders. Het aanwezig hebben van de gezinsvoogd bij de zitting kan het probleem van informatie-asymmetrie verkleinen. Ook kan het er voor zorgen dat de rechter op de zitting de neuzen van zowel gezinsvoogden als ouders al wat meer dezelfde richting op kan krijgen. Daarbij moet niet vergeten worden dat de rechter niet gezien moet worden als een verlengstuk van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. De rechter heeft immers een controlerende functie te hebben en indien nodig op de spreekwoordelijke rem te trappen. Dat aspect raakt in mijn visie in dit rapport af en toe een beetje op de achtergrond waarbij de rechter meer wordt gepresenteerd als deel van de hulpverleningsketen dan als controleur. Overigens is de rechter natuurlijk wel degelijk deel van de hulpverleningsketen.

Het is ook noodzakelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg zich gaan bezinnen op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en met de verantwoordelijke bewindspersoon mogelijkheden verkennen om al in een eerder stadium hulp te bieden. Daartoe moet ook een mechanisme worden ontworpen waarmee enige mate van zicht kan worden gehouden op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en waarmee bij voorkeur ontwikkelingen kunnen worden gesignaleerd. Dat en tal van andere aspecten aangaande (de problemen rond) de praktische uitvoering zijn in het rapport terug te vinden.

Los van dat alles is het een goed streven dat Rechtspraak onderzoekt of het mogelijk is om meer dan nu alle partijen bij elkaar op een zitting te krijgen. Dat geeft hopelijk een beter uitgangspunt om een ondertoezichtstelling te starten. Nog beter is het als hulpverlening, indien nodig, in een eerder stadium al kan worden opgestart want ondertoezichtstelling is een extreem zwaar middel dat bij voorkeur vermeden zou moeten worden.

Bron:
Onderzoek naar advocaat voor kinderen bij problematische echtscheiding via rechtspraak.nl
Andere aanpak Bureau Jeugdzorg en rechters nodig bij strijdende oudersvia ombudsman.nl
Rapport 2012/166 (KOM SA/2012): ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen’

Comments closed.