Belasting betalen moeten we allemaal. Samen met de dood is dat nu eenmaal één van de zekerheden van het leven. Normaliter verloopt heffing van inkomstenbelasting grotendeels via de werkgever middels de voorheffing loonbelasting. Als de werkgever per ongeluk een volledig brutobedrag uitbetaalt aan de werknemer en ook de loonbelasting voldoet aan de fiscus, dan zal de werkgever het teveel betaalde terug willen hebben. Een conflict daarover speelde in onderhavige zaak.

De feiten:
In een voorgaande rechtszaak van 19 december 2011 vonniste de kantonrechter ’s-Gravenhage dat de werkgever een bedrag van EUR 30.535,29 bruto aan werknemer moest voldoen wegens niet uitbetaalde overuren en opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. De werkgever is daar overigens tegen in beroep gegaan en de appelprocedure loopt nog.

De werknemer verzocht de werkgever om betaling van het netto-equivalent daarvan. De werkgever maakte in plaats van de netto-equivalent het gehele bruto-equivalent over naar werknemer. De werkgever droeg eveneens de verschuldigde loonheffing af aan de Belastingdienst, een bedrag van EUR 14.107,30. Werkgever had het bedrag van EUR 14.107,30 dus zowel aan werknemer als aan de Belastingdienst betaald. Werkgever verzocht vervolgens aan werknemer om dit bedrag terug te betalen. Werknemer weigerde dit en de werkgever startte derhalve met een tweede kort geding om het geld terug te krijgen.

De overwegingen en het oordeel van de rechter:
De werkgever baseert zich voor terugbetaling van het bedrag op onverschuldigde betaling (van haar zijde) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (van zijde van werknemer). Van onverschuldigde betaling kan geen sprake zijn omdat betaling niet zonder rechtsgrond geschiedde. Werkgever was immers veroordeeld tot het voldoen van dat bedrag in het eerdere geding.

Wat betreft ongerechtvaardige verrijking ligt de zaak iets gecompliceerder. De kantonrechter gaat ervan uit dat de werkgever abusievelijk het gehele bedrag heeft uitbetaald aan werknemer in plaats van de netto-equivalent. Vast staat dat de werkgever de met dat brutobedrag gemoeide loonheffingscomponent heeft afgedragen aan de Belastingdienst. De werkgever heeft derhalve tweemaal, waarvan eenmaal ten onrechte, de loonheffingscomponent betaald. Ook vast staat dat werknemer in feite zelf erkent dat het bedrag, waarover hij thans beschikt, hem niet toekomt, maar moet het worden afgedragen aan de Belastingdienst, die het feitelijk al heeft ontvangen.

Voor zover werkgever aanspraak kan maken op terugbetaling door de Belastingdienst, moet ervan worden uitgegaan dat zulks eerst mogelijk is nadat werknemer zijn inkomstenbelasting over 2011 heeft voldaan. Dat is momenteel nog niet aan de orde. Van de Belastingdienst kan werkgever dus thans nog geen terugbetaling verkrijgen, terwijl op dit moment niet met zekerheid vaststaat dat die mogelijkheid zich (ooit) zal voordoen. Daar komt bij dat niet valt in te zien dat de Belastingdienst zich in de huidige situatie ambtshalve zal wenden tot werknemer met het oog op de betaling van het bedrag van € 14.107,30, nu de Belastingdienst dat bedrag inmiddels heeft ontvangen via werkgever.

Op grond van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de bodemrechter met grote mate van waarschijnlijkheid zal oordelen dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van werknemer in de zin van artikel 6:212 BW. Het spoedeisende belang van het kort geding is daarmee gegeven. De kantonrechter ziet geen enkele reden waarom werkgever nog langer op de terugbetaling zou moeten wachten en veroordeelt werknemer tot terugbetaling van het bedrag aan werkgever.

Conclusie:
Dit is een goed voorbeeld van hoe een voorzieningenrechter omgaat met geldvorderingen alsmede de werking van de artikelen van onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Op basis van vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen – maar ook of daarnaast sprake is van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden. (rov. 3.1.)

Van onverschuldigde betaling kan geen sprake zijn indien er betaald is op basis van een rechtsgrond. In dit geval geschiedde betaling op grond van een vonnis wat zonder meer tot de geldige rechtsgronden behoort. Voor wat betreft ongerechtvaardigde verrijking is het slechts iets gecompliceerder omdat hier de Belastingdienst een rol speelt. Deze kan vorderen bij zowel werkgever als werknemer. Nu de werkgever al betaald heeft (zoals het ook hoort) is er voor de Belastingdienst geen enkele reden om zich nog te wenden tot werknemer. Per saldo is er een verarming bij de werkgever en een verrijking bij werknemer. De werknemer stelt zelfs dat het geld niet voor hem is maar van de Belastingdienst. Het ligt derhalve in de lijn der verwachting dat de bodemrechter inderdaad zal veroordelen tot terugbetaling op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Daarmee is dan ook meteen het spoedeisende belang van werkgever bij haar vordering gegeven.

Wat helaas niet duidelijk wordt uit het vonnis is waarom de werknemer niet gewoon het teveel betaalde aan de werkgever wilde retourneren. Gezien de eerdere rechtszaak is het misschien gewoon een kwestie van de werkgever willen stangen. Dit is in ieder geval typisch een rechtszaak waar niemand wat mee opschiet omdat deze partijen elkaar ook weer gaan tegenkomen in de nog steeds lopen appèlzaak.

Bron:
LJN: BX7528, Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Gravenhage
Brutobedrag achterstallig salaris uitbetaald, wat nu? via flexnieuws.nl

Comments closed.