De geruchtmakende uitspraak van de rechtbank Breda was al opgenomen in de nieuwsbrief van afgelopen week. Gisteren stond mijn inbox vol met verzoeken om er toch uitgebreider aandacht aan te besteden op de site. Bij deze ga ik dat dan ook doen.

Relevante regelgeving en bedrijfsopvolgingsfaciliteiten:
Het geschilpunt waar het om gaat in het geding is de toepasselijkheid van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Deze hebben tot doel het verkrijgen van een bedrijf door middel van erven fiscaal te begunstigen. Zo moeten liquiditeitsproblemen voorkomen worden en de voldoening van de belasting geen knelpunt vormen. Hiermee wordt ondernemingsvermogen gediscrimineerd ten opzichte van privévermogen. Het eerste is minder zwaar belast dan het laatste.

Vanuit verdragsartikelen 26 IVPBR en 14 EVRM geldt een discriminatieverbod (het gelijkheidsbeginsel) waarbij de wetgever wel een aanzienlijke beoordelingsvrijheid heeft op fiscaal vlak bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van genoemde artikelen gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398)

In wat eenvoudiger bewoording: Het EVRM stelt dat een wetgever waar het op fiscaliteit aankomt, gelijke vallen ongelijk mag behandelen mits daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. In beginsel moet dit oordeel van de wetgever worden gevolgd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

Deze zaak betreft een verkrijging van een erfenis onder de ‘oude’ Successiewet zoals die gold voor 1 januari 2010. De uitspraak is echter ook van belang voor de huidige regelgeving omdat ook deze bedrijfsopvolgingsfaciliteiten biedt.

Er is daarna nog een horde te nemen. Zelfs als de wet in strijd is met het discriminatieverbod en het oordeel van de wetgever van redelijke grond is ontbloot, dan leidt dat niet altijd tot toepassing van de gunstiger regeling. Het is namelijk mogelijk dat toepassing van de gunstigere regeling leidt tot ongelijke behandeling van weer andere gevallen. Op die manier kan men bezig blijven met aanpassing van de regelgeving en het voeren van rechtszaken en dat is niet praktisch werkbaar. Als dat geval zich voordoet dan dient de rechter te volstaan met de constatering dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het is dan de taak van de wetgever om die schending op te heffen (HR 14 juli 2000, nr. 35 059, LJN: BI7527, BNB 2000/306).

De feiten:
Een belanghebbende erfde in 2007 landbouwgronden, machines en een boerderij. Bij de erflater behoorden de bezittingen op het moment van overlijden tot zijn privévermogen. Uitgangspunt van de belanghebbende is dat elke verkrijging krachtens erfrecht hetzelfde moet worden behandeld, ongeacht of sprake is van ondernemings- of van privévermogen. De belanghebbende stelt dus in dit geval recht te hebben op toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten hoewel het ondubbelzinnig vaststond dat het niet ondernemingsvermogen ging. Dit scheelt nogal in de heffing omdat de vrijstelling naar toenmalige regelgeving maar liefst 75% bedroeg.

Overwegingen en oordeel van de rechtbank:
Het primaire doel van de Successiewet is blijkens artikel 1 ervan en de parlementaire geschiedenis het belasten van al hetgeen krachtens erfrecht is verkregen. Daaruit volgt dat in beginsel de aard en niet hoedanigheid (privévermogen of ondernemingsvermogen) van hetgeen is verkregen relevant is. Het verkrijgen van ondernemingsvermogen en privévermogen zijn dan ook in beginsel aan te merken als gelijke gevallen nu bij beiden gaat om een verkrijging krachtens erfrecht.

Door de invoering van de faciliteit is inbreuk gemaakt op dit uitgangspunt. Dat is op zichzelf niet vreemd of onrechtmatig. Het stimuleren van ondernemerschap vormt in het algemeen een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling. De grens is begunstiging van ondernemingsvermogen die veel verder gaat dan ook maar enigszins redelijk kan worden genoemd.

Het doel van de faciliteiten is het faciliteren van bedrijfsoverdrachten en meer specifiek het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij de onderneming als gevolg van belastingheffing. Deze redelijke en objectieve rechtvaardiging wordt geweld aan gedaan door de wet nu er geen onderscheid wordt gemaakt tussen het wel of niet aanwezig zijn van liquiditeitsproblemen als gevolg van belastingheffing en de vrijstelling zeer hoog is. De wetgever is dus volgens de rechtbank buiten zijn ruime beoordelingsmarge getreden.

De rechtbank wijst de vordering toe volgens het systeem van de toenmalige bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Dat betekent dat de 75%-vrijstelling niet direct wordt toegekend maar de gewone aanslag successierecht wordt omgezet in een conserverende aanslag die onder voorwaarden niet wordt ingevorderd.

Hoe nu verder?
Op het ministerie van financiën wordt nu waarschijnlijk door een aantal mensen druk gediscussieerd over hoe het verder dient te lopen. Onder de huidige Successiewet is de discriminatie nog verder toegenomen dus daar ligt wel een behoorlijk probleem. Dit is wel een behoorlijk fundamenteel probleem in de belastingheffing. Idealiter buigt de Hoge Raad zich hier over al dan niet met het stellen van prejudiciële vragen aan het EVRM.

Ook werpt de uitspraak van de rechtbank nieuwe vragen op. Dit komt mede voort uit het feit dat de uitspraak van de rechtbank nogal ruim geformuleerd is. Dit betrof een uitspraak over erfbelasting maar strekt de uitspraak van de rechtbank zich ook uit tot schenkingen? Kan de wetgever aan de overgang van privévermogen ook nadere voorwaarden stellen zoals dat ook voor ondernemingsvermogen al gebeurd? Strekt de uitspraak zich ook uit tot een erfenis die gemakkelijk is te liquideren? Het ging in dit geval met name om onroerende zaken en die zijn momenteel lastig te liquideren maar met effecten en roerende zaken is dat over het algemeen anders.

Zolang de Hoge Raad zich hier niet over uitgelaten heeft is het voor belanghebbenden handig om vast pro forma bezwaar aan te tekenen, anders verstrijkt de termijn en dat kan onnodig veel geld kosten. Dit alles is overigens aan het rollen gekomen na een proefprocedure van Collectief Bezwaar. Dit is een vrij jonge organisatie welke zich bezighoudt met proefprocessen in belastingzaken. Collectief Bezwaar is eigendom van Coen Mijnsbergen welke werkzaam is als belastingadviseur/vennoot van Rijkse & Zwemer Accountants.

Bron:
Collectief Bezwaar
Successiewet discrimineert privévermogen via ANP Pers support
LJN: BX3386, Rechtbank Breda

Comments closed.