Twee zaken in het leven zijn zeker: de dood en belastingen. De convergentie van deze twee vinden we met name bij de erfbelasting. Om de belastinggrondslag goed vast te stellen moeten er met name voor objecten een set maatstaven zijn. Van een saldo op een bankrekening zal niemand moeite hebben om de omvang te bepalen. Met aandelen is dat al een stuk lastiger want de waarde daarvan varieert per uur, dus wat stel je vast als toetsingsmoment. Een soortgelijk probleem speelt bij vastgoed want hoe stel je de exacte waarde van een huis vast?

In de Successiewet sluiten we voor vastgoed aan de WOZ-waarde van een huis. Deze WOZ-waarde is echter gebaseerd op de waarde van de woning per 1 januari van het voorafgaande jaar. In de huidige neerspiralende huizenmarkt is dat veelal ongunstig voor de erfgenamen. Zij moeten dan betalen over vermogen wat ze niet daadwerkelijk erven en hebben veelal geen liquiditeiten om een belastingbedrag op te hoesten. Onder omstandigheden kan dat dusdanig onredelijk uitpakken dat de rechter een correctie toepast.

De feiten:
In deze zaak hadden betrokkenen in het jaar 2010 een woning geërfd. Volgens de Successiewet 2010 moet een woning in een erfenis worden gewaardeerd op de WOZ-waarde die in het jaar van overlijden geldt. Deze WOZ-waarde is echter gebaseerd op de waarde van de woning per 1 januari van het voorafgaande jaar. De woning die in 2010 werd geërfd, moest voor de erfbelasting dus worden gewaardeerd op de waarde per 1 januari 2009.

In geschil is of deze bepaling in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het Eerste Protocol). Toetsing hieraan is mogelijk omdat belastingheffing wordt gezien als regulering van eigendom. Het geding ziet op het redelijke verhouding aspect (‘fair balance’) tussen algemeen belang(om belasting te heffen) en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.
De andere twee aspecten van ‘lawfullness’ (de aantasting moet op een wettelijke basis berusten) en ‘legitimate aim’ (met de inbreuk moet een legitieme doelstelling van algemeen belang worden gediend) zijn niet in het geding.

Overweging en oordeel van de rechter:
De Sw heeft als doel de erfenis te belasten naar de waarde op het moment van overlijden. Om redenen van vereenvoudiging geldt voor woningen vanaf 1 januari 2010 de WOZ-waarde als uitgangspunt. Dit systeem houdt in dat er minstens 12 maanden en maximaal 24 maanden liggen tussen het moment van de verkrijging en het moment van waardebepaling van de woning.

In een stijgende woningmarkt brengt dat in het algemeen mee dat woningen voor een lagere waarde in de erfbelasting worden betrokken en in een dalende woningmarkt brengt dat mee dat woningen voor een hogere waarde in de erfbelasting worden betrokken. Hoewel dit systeem niet heel nauwkeurig is, treedt de wetgever hiermee niet per definitie buiten de ruime marges van art. 1 Eerste Protocol.

Wel is in dit geval geweld gedaan aan het ‘fair balance’ principe. In casu is de WOZ-waarde van de woning tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2010 met € 77.500 gedaald. Als gevolg hiervan zijn de aanslagen erfbelasting beide € 3.836 hoger bij beide erven dan die zouden zijn indien de waardedaling tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2010 wel in aanmerking zou zijn genomen. Zij zouden derhalve moeten betalen over vermogen wat ze niet daadwerkelijk erfden. Daarbij komt dat iemand die een woning erft, niet altijd direct liquide middelen krijgt om de erfbelasting te kunnen betalen en het gaat zowel relatief als absoluut gezien om een vrij zware last.

De strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol door aan te sluiten bij de wetgeving van 2012. Dit houdt in dat in plaats van de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2009 de WOZ-waarde van de woning in aanmerking dient te worden genomen naar de peildatum 1 januari 2010.

Conclusie:
Het is al vaker gezegd maar de fiscus heeft niet per definitie gelijk. Zo ook in dit geval waar een aanslag erfbelasting toch fors wordt verminderd door de rechter omdat het al te gek is dat een paar duizend euro moet betalen over iets wat je niet daadwerkelijk krijgt. Dergelijke systemen van waardebepaling hebben altijd wat ruwe kantjes maar de keerzijde ervan is dat dit tenminste wel duidelijk, overzichtelijk en praktisch hanteerbaar is. Het systeem van voor 2010 was in de praktijk soms verschrikkelijk ingewikkeld. In dat opzicht heeft ook gemak soms een prijs.

Het probleem van het gapende gat tussen moment van waardebepaling van een huis en de daadwerkelijke verkrijging ervan is gelukkig inmiddels door de wetgever verholpen met de invoering van de nieuwe regelgeving per 2012.

Bron:
LJN: BX0869, Rechtbank Haarlem

Comments closed.