In december 2011 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 7 BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte ingediend. Dit wetsvoorstel strekt er toe voor woningen uit de gereguleerde huursector een jaarlijkse extra huurverhoging mogelijk te maken die afhankelijk is van het huishoudinkomen van de huurder en de overige bewoners van een woonruimte. Het drempelinkomen daarvoor wordt op € 43.000 gesteld. De ratio is dat een dergelijke maatregel doorstroming op de huurmarkt bevordert en scheefwonen tegengaat. Om nu te voorkomen dat huurders ieder jaar een verklaring van de Belastingdienst moeten vragen en mogelijke fraude dergelijke verklaring tegen te gaan, is het de bedoeling dat woningcorporaties inkomensgegevens regelrecht van de fiscus kunnen opvragen.

De wet die dat mogelijk zou moeten maken is momenteel nog niet van kracht dus de staatssecretaris heeft een ontheffingsbesluit gemaakt wat het mogelijk zou moeten maken voor woningcorporaties om nu al gegevens op te vragen van de fiscus. De staat wil namelijk wel al graag dat verhuurders de mogelijkheid hebben om per 1 juli van dit jaar (beoogde inwerkingstredingsdatum van de wet) van de verhogingsmogelijkheid gebruik te maken. Een aantal huurders vond dit niet kunnen en stapten naar de voorzieningenrechter.

De eis:
Eisers willen dat de Staat verboden wordt op de wet vooruit te lopen en te gelasten de Belastingdienst op te dragen geen inkomensgegevens aan verhuurders te verstrekken, dan wel de Staat te verbieden belastinggegevens van eisers aan hun verhuurders te verschaffen zolang daarvoor geen wettelijke basis bestaat. Voor zover er al verklaringen zijn verstrekt moet de Staat concrete stappen nemen om het gebruik van de verklaringen te voorkomen.

Daartoe voeren eisers aan dat bij invoering van het wetsvoorstel op onaanvaardbare wijze inbreuk zal worden gemaakt op het recht op privacy als onder artikel 8 EVRM, artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en artikel 10 van de Grondwet.

Het wetsvoorstel moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld, zodat nog niet zeker is dat het huidige ontwerp zal worden aangenomen.Er wordt veel kritiek geuit op het wetsvoorstel, zodat aannemelijk is dat er nog wijzigingen in het ontwerp zullen worden aangebracht. De Staat handelt momenteel onrechtmatig jegens eisers, omdat een inbreuk op het recht op privacy slechts is toegestaan bij formele wet en wanneer dit noodzakelijk is in het belang van doelen zoals het economisch welzijn van het land. Het ontheffingsbesluit van de staatssecretaris voldoet niet aan voornoemde eis.

Beoordeling door de rechter:
De rechter beoordeelt het geschil aan de hand van art. 8 Wbp. Het gaat hier immers om doorzending van persoonsgegevens en die mogen slechts worden verwerkt in de daar limitatief opgesomde gevallen. De Wbp moet worden uitgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Naar de bedoeling van de wetgever moet bij elke gegevensverwerking zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Staat beroept zich op de rechtvaardigingsgrond van artikel 8 aanhef en onder f Wbp. Hier staat dat persoonsgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. Met andere woorden; de staat meent dat het recht op persoonlijke levenssfeer in dit geval niet prevaleert.

De rechter stelt dat in dit geval het recht op persoonlijke levenssfeer prevaleert. Doorslaggevend daarbij is dat de verstrekking van de inkomensgegevens niet meer ongedaan te maken valt als de beoogde wettelijke verplichting tot het verstrekken van die gegevens het Staatsblad niet voor 1 juli 2012 haalt. Verhuurders moeten wel verklaren dat zij de gegevens zullen vernietigen, maar daarmee wordt de eerdere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer nog niet ongedaan gemaakt.

Ten aanzien van het ontheffingsbesluit wordt bovendien een nog fundamenteler probleem geconstateerd dan het de kracht van formele wet niet heeft. Het is gebaseerd op art. 67 lid 3 AWR wat een limitatieve opsomming bevat voor situaties waarin gegevensuitwisseling mogelijk is. Het genoemde besluit heeft geen aansluiting met de situaties die worden genoemd. Er is geen sprake van een ruime, onbeperkte ontheffingsbepaling die ruimte laat voor verschillende uitleg, aldus de parlementaire geschiedenis. Dit doet de rechter concluderen dat de staatssecretaris zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend. Dat is strijdig met artikel 3:3 van Awb, het verbod van détournement de pouvoir.

De Staat krijgt hier dus op alle punten ongelijk en dus mag de Belastingdienst vooralsnog geen gegevens over huurders vrijgeven.

Conclusie:
In deze zaak doet zich precies hetgeen voor waar in juridische nieuwsbladen al enige aandacht aan is besteed: de Staat gaat op de zaken vooruit lopen. Wanneer het gaat om zeer belangrijke zaken die van levensbelang kunnen zijn voor een land of bevolking dan heeft de Staat vrij veel speelruimte. Dat is ook logisch, snel handelen kan soms noodzakelijk zijn om erger te voorkomen.

In dit geval gaat de Staat echter haar boekje te buiten volgens de voorzieningrechter. Er wordt al vooruitgelopen op een privaatrechtelijke grondslag voor het opvragen van gegevens en eigenlijk is de enige waarborg in het ontheffingsbesluit dat huurders moeten verklaren de gegevens te vernietigen. Er heeft dan echter al een inbreuk op de privacy plaatsgevonden.

Aan dat soort inbreuken wordt terecht zeer zwaar getild. Het is niet voor niets een recht wat is vastgelegd in talloze verdragen en richtlijnen. De rechter merkt in deze context op:

Tegenover het belang waarop de Staat zich in deze zaak beroept, staat het belang van individuele burgers om niet zonder de waarborgen die deze bepaling (art 8 Wbp.) biedt te worden geconfronteerd met de gevolgen van een wetsvoorstel dat nog bij de Staten-Generaal aanhangig is. Dit laatste belang dient te prevaleren wanneer het gaat om een voorgestelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, hoe beperkt en gerechtvaardigd die in het licht van de doelstellingen van het betrokken wetsvoorstel mogelijk ook is.

Zelfs een kleine inbreuk is al een inbreuk. Hieruit blijkt goed hoe zwaar rechters tillen aan het recht op privacy.

Het is de vraag of de Staat in hoger beroep zal gaan. Wellicht kan met een aanpassing van het ontheffingsbesluit en een andere grondslag voor het ontheffingsbesluit alsnog doorgang van overdracht van persoonsgegevens plaatsvinden. Zolang de wet nog niet door de Eerste Kamer is, is de kans groot dat dan weer een nieuwe zaak zal plaatsvinden. Zodra de wet er door is, zal er echter geen houden meer aan zijn en zal de overdracht van gegevens plaatsvinden.

Comments closed.