Op 28 maart behandelde ik de uitspraak van het Hof Den Haag waarbij bepaald werd dat er een heffing moet komen voor naburige rechten op mp3-spelers en PVR’s. De naburige rechtenorganisaties sprongen een gat in de lucht en hadden natuurlijk een bijzonder goede dag. Wat een beetje minder bekend was is dat op 15 maart een zaak diende bij het Hof van Justitie waar de naburige rechtenorganisaties een stuk minder blij mee zullen zijn. De Nederlandse vertaling is recent online gezet dus laten we eens kijken.

De feiten:
De in Turijn gevestigde tandarts Marco del Corso speelt in zijn wachtkamer muziek via de radio. De SCF (een Italiaanse variant van SENA) stelt dat de tandarts hiervoor vergoeding moet betalen. Er werden door de SCF aanvankelijk pogingen ondernomen om een collectieve regeling te treffen met de Italiaanse tandartsorganisatie. Deze pogingen liepen op niets uit. De SCF ging er vervolgens toe over om Del Corso te dagvaarden. De vraag waar het hier om draait is of er sprake is van ‘een mededeling aan het publiek’ van fonogrammen.

Oordeel Hof:
Het Hof kijkt bij de beoordeling van deze maten in sterke mate naar de eerdere uitspraken SGAE en Football Association Premier League. In deze arresten heeft het Hof reeds geoordeeld dat de interventie van de hotelexploitant die tot doel heeft aan zijn klanten toegang tot een uitgezonden werk te verschaffen, moet worden beschouwd als een extra dienst die wordt verleend om er een bepaald voordeel uit te trekken, aangezien deze dienstverlening een invloed heeft op de standing van het hotel en dus op de prijs van de kamers. Naar analogie heeft het Hof in de tweede zaak geoordeeld dat de vertoning van uitgezonden werken door de exploitant van een café-restaurant gebeurt met het doel en in staat kan zijn om gevolgen te hebben voor het aantal bezoekers van die horecagelegenheid en uiteindelijk voor de financiële resultaten ervan. Het hebben van een zeker winstoogmerk is dus van belang.

Ook de term publiek is al behoorlijk ingekleurd door het Hof in eerdere arresten. Het moet gaan om een publiek van enige omvang. Een te klein of zelfs onbeduidend aantal personen valt dus niet onder dit begrip. Ook moet het gaan om een groep die door de gebruiker als doelgroep is gekozen en bovendien op één of andere manier ontvankelijk is voor zijn mededeling en deze niet toevallig „opvangt”

Het HvJEU merkt in punt 93 op dat het normaal aan de nationale rechter wordt overgelaten om feitelijke uitspraken te doen maar nu zij over alle feitelijke informatie beslist zal zij dit zelf doen.

Allereerst wordt in punt 94 gesteld dat de tandarts welbewust intervenieert in de uitzendingen d.w.z. ze mogelijk maakt. Ten aanzien van de bezoekers wordt opgemerkt dat zij een geheel van personen vormen waarvan de samenstelling grotendeels stabiel is en dat zij dus een bepaald geheel van potentiële luisteraars uitmaken. Ander personen hebben immers geen toegang tot zorgverlening bij die specifieke tandarts. Ook is de omvang van de groep bijzonder klein. Het feit dat veel patiënten elkaar opvolgen maakt ook niet echt uit want klanten horen niet iedere keer dezelfde fonogrammen. Klanten hebben ook helemaal niet gevraag om uitzending van de fonogrammen.

Tot slot wordt met betrekking tot het winstoogmerk opgenoemd dat louter wegens radiouitzendingen niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat het aantal patiënten van zal toenemen, of dat de prijs van de zorgverlening zal kunnen worden verhoogd.

Uiteindelijk kan dus niet anders worden geconcludeerd dan dat de tandarts die in zijn praktijk kosteloos fonogrammen uitzendt ten behoeve van zijn patiënten die deze uitzending buiten hun wil horen, geen „mededeling aan het publiek” doet.

Conclusie:
Er is bij de naburige rechten al tijden discussie over wat nu precies het begrip ‘mededelen aan het publiek’ inhoudt. Het HvJEU veegt in deze uitspraak een heel aantal beslissingen uit eerder uitspraken bijeen en presenteert een mooie lijst aanwijzingen en overwegingen om te bekijken of er nu sprake is van mededelen.

Na een heel aantal zaken waarbij de naburige rechtenorganisaties in het gelijk werden gesteld, gaat het HvJEU hier een andere kant op. Het publiek is te kleinschalig (zowel in omvang als in tijd opeenvolgend) en er is onvoldoende kans reden om regelrecht een winstoogmerk aan het uitzenden te koppelen. In beide zaken die ik eerder aanhaalde was dat anders.

Ik denk dat het zeer nuttig dat dit soort dingen voor de rechter komt. Het geeft een duidelijk idee over waar de grenzen precies lopen. Ik vermoed wel dat deze uitspraak minder dan lekker ligt bij de naburige rechtenorganisaties. In Nederland lopen de conflicten met SENA vaak behoorlijk op en er zal ongetwijfeld een hele stapel ondernemers zijn die SENA om de oren gaan slaan met deze uitspraak. Het blijkt in ieder geval wel dat dit soort jurisprudentie in hoge mate casuïstisch van aard is. Ook dat is wat deze zaak belangrijk maakt, het HvJEU zag voldoende feiten om zelf een conclusie te trekken in plaats van met marginale beantwoording terug te verwijzen naar de nationale rechter.

Het moge duidelijk zijn dat de strijd nog lang niet is gestreden. Ik voorzie in ieder geval dat er nog weer de nodige rechtszaken zullen rijzen want het gaat vaak om forse bedragen die op het spel staan dus dan is procederen al snel de moeite waard.

Bron:
Arrest van het Hof (Derde kamer) in zaak C‑135/10

Comments closed.