Momenteel is er enige mate van opschudding met betrekking tot een conclusie van de Advocaat-Generaal Verica Trstenjak bij het HvJEU. Het gaat hier over de zogenaamde horizontale werking van het vrij verkeer van goederen.

Horizontale werking
Zoals iedere eerstejaars leert, zijn het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal de voornaamste bouwblokken van de EU. Het is in beginsel aan de lidstaten zelf om deze vrijheden te garanderen maar als men er echt niet meer uitkomt dan kan in hoogste instantie een beroep worden gedaan op het HvJEU. Er is absoluut geen discussie over het feit dat de vrij verkeerregels tegen overheden kunnen worden ingeroepen, maar kun je ze ook tegen een burger of bedrijf inroepen? Dit laatste is wat horizontale werking genoemd wordt in tegenstelling tot verticale werking wanneer men tegen een overheid procedeert.

In een aantal gevallen heeft het HvJEU zich daar al bevestigend over uitgelaten in bijvoorbeeld zaken betreffende vestigingsmogelijkheden van kleine zelfstandigen. Er was echter tot voor kort in de context van het vrije verkeer van goederen en horizontale nog geen zaak aangebracht. De AG heeft 28 maart conclusie genomen en stelt dat voor wat betreft het vrije verkeer van goederen inderdaad horizontale werking mogelijk zou moeten zijn.

Achterliggende feiten:
Het Italiaanse bedrijf Fra.bo SpA produceert koperen fittingen welke zij in Duitsland op de markt wil brengen. De Deutsche Vereinigung des Gas-und Wasserfaches eV (hierna: DVGW) is een certificeringsorganisatie voor de Duitse markt. DVGW is echter geen overheidsinstantie maar een volledig privaatrechtelijke organisatie. Fra.bo heeft haar koperen fittingen laten keuren door een Italiaans laboratorium wat door de plaatselijke instanties is geaccrediteerd. DVGW wil echter geen rekening houden met het testrapport omdat het Italiaanse laboratorium niet door haar als erkende onderzoeksinstantie is geaccrediteerd. Nu geeft DVGW geen certificaat af en dat betekent de facto dat de toegang tot de Duitse markt voor Fra.bo bemoeilijkt wordt.

Conclusie AG:
Vanaf onderdeel 28 tot onderdeel 40 wordt eerst begonnen met een analyse van de rechtspraak tot dusver. Met behulp van zaken als Bosman, Angonese (vrij verkeer van personen) en Viking (vestiging) beargumenteert de Advocaat-Generaal dat het niet logisch zou zijn als de mogelijkheid van een rechtstreekse toepasselijkheid van de regels van het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op collectieve regelingen van niet-publiekrechtelijke aard onder bepaalde voorwaarden wordt aanvaard, maar deze mogelijkheid wordt afgewezen waar het gaat om vrij verkeer van goederen en kapitaal.

In onderdeel 40 en verder wordt gesteld dat als de regels niet zouden gelden voor handel die niet onder het publiekrecht valt doch onder het privaatrecht, dat het vrij verkeer van goederen en diensten in gevaar wordt gebracht. Daarbij kan er een verschil in beschermingsniveau optreden als in de ene staat de instanties publiekrechtelijk van aard zijn en in een andere lidstaat privaatrechtelijk van aard zijn. Deze horizontale rechtstreekse werking van het vrije verkeer van goederen kan worden onderbouwd met een analoge toepassing van de door het Hof ontwikkelde argumentatie met betrekking tot de toepasselijkheid van de artikelen 45 VWEU, 49 VWEU en 56 VWEU op andersoortige collectieve regelingen voor werknemers, zelfstandigen en dienstverleners.

Tot besluit:
De conclusie van de AG wordt met belangstelling gelezen en gevolgd omdat deze uitspraak van het HvJEU een zeer belangrijke en fundamentele piketpaal gaat worden die echt over een basisbepaling van de EU gaat. Daarbij kunnen dit soort uitspraken verstrekkende gevolgen waardoor nationale regelgeving verregaand moet worden aangepast. Het is zeer waarschijnlijk de uitspraak die hier uit komt over een paar jaar behoort tot de voorgeschreven basisliteratuur voor studenten Europees Recht.

Bron:
conclusie in de zaak C-171/11 Fra.bo SpA v. Deutsche Vereinigung des Gas-und Wasserfaches eV (DVGW)

Comments closed.