27. April 2016 · Comments Off on Fiscus kan verdwenen BV niet beboeten · Categories: Belastingrecht, Legal, Rechtspraak

De boete is één van de meest gebruikte handhavingsmiddelen van de fiscus. Het stuit echter op problemen als de fiscus boetes gaat opleggen aan een rechtspersoon die inmiddels verdwenen is. In onderhavige zaak illustreert de rechtbank de onmogelijkheden hiervan.

De feiten:
X BV is bij notariële akte van 29 juni 2011 middels een juridische fusie op 30 juni 2011 onder algemene titel opgegaan in Y B.V. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het handelsregister) is op 5 juli 2011 de registratie van X BV beëindigd met ingang van 30 juni 2011.

Een maand later, eind juli 2011, heeft de fiscus X BV een uitnodiging tot het doen van aangifte over het boekjaar 2010/2011 gezonden. Er is uitstel verleend voor het indienen van de aangifte tot 1 mei 2012. Met dagtekening 31 mei 2012 heeft verweerder een herinnering gestuurd om aangifte te doen voor 14 juni 2012. Hierna volgde een aanmaning om alsnog aangifte te doen. De fiscus wees er bij het doen van die aanmaning op dat een boete zal worden opgelegd als de aangifte niet op tijd is ontvangen.

Uiteindelijk is namens X BV een aangifte ingediend, zij het veel te laat. De fiscus heeft vervolgens de aanslag vastgesteld en een boete uitgedeeld wegens het te laat doen van aangifte.

In geding is nu of de boete terecht is opgelegd daar de BV is opgehouden te bestaan ten gevolge van de fusie.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechter is van oordeel dat X BV als gevolg van de juridische fusie is opgehouden te bestaan op 30 juni 2011. Dit betekent dat de uitnodiging tot aangifte werd gedaan toen X BV al niet meer bestond. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verdwenen rechtspersoon het verzuim tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft begaan.

Aan het oordeel van de rechtbank doet niet af dat de fiscus ten tijde van toezending van het aangiftebiljet kennelijk niet ermee bekend was dat X BV opgehouden was te bestaan. De registratie van de verdwijning ten gevolge van fusie heeft in het handelsregister op 5 juli 2011 plaatsgevonden. Hierdoor was het voor derden, inclusief de fiscus, kenbaar was dat X BV inmiddels was verdwenen. Dat de aangifte niet binnen de gestelde termijn is ingediend, doet evenmin iets af aan het oordeel van de rechtbank.

De fiscus mocht X BV geen boete opleggen. De rechtbank vernietigt de boetebeschikking.

Conclusie:
Het was reeds op het moment van het doen van de uitnodiging tot aangifte kenbaar dat X BV was opgehouden te bestaan. Een niet langer bestaande rechtspersoon kan ook niet verzuimen iets al dan niet te doen. Evenmin is het mogelijk om aan een niet-bestaande rechtspersoon een boete op te leggen voor iets wat deze niet gedaan kan hebben.

Daarmee is de boete dus onterecht opgelegd. Een weinig verrassend oordeel van de rechter, het zou immers merkwaardige gevolgen hebben als het mogelijk is om boetes op te leggen aan rechtspersonen die reeds zijn opgeheven op vanwege andere redenen zijn opgehouden te bestaan. Dergelijke aansprakelijkheden zouden strijdig zijn met het basisprincipe van de rechtspersoon zijnde dat deze (in beginsel) dezelfde rechten en plichten geniet als een natuurlijke persoon. Het is zou feitelijk op hetzelfde neerkomen als een overleden persoon beboeten voor het plegen van een inbraak nadat deze is overleden.

Comments closed.