Voor talrijke diensten van publiek belang is het verplicht om een opdracht aan te besteden. Andersom hebben aanbestedende diensten ook een grote mate van vrijheid om een aanbesteding stop te zetten. Zij hoeven hiervoor niet altijd gewichtige redenen te hebben. Een en ander is meerdere malen bevestigd bij het HvJEU en laat zich goed illustreren aan de hand van een recente procedure voor het Haagse Hof.

De feiten:
De Rijksgebouwendienst – inmiddels deel van het Rijksvastgoedbedrijf – heeft een openbare Europese aanbestedingsprocedure voor het installeren en onderhouden valveiligheidsvoorzieningen in vijf gebouwen uitgeschreven. Van gebouwen 1, 3 en 5 is de procedure gestopt omdat er geen inschrijvingen zijn die voor gunning in aanmerking komen.

Eurosafe was een inschrijver op de aanbesteding waarvan de inschrijving ongeldig werd verklaard vanwege belangenverstrengeling. Eurosafe startte een kort geding tegen de ongeldigheidsverklaring en stopzetting van de aanbesteding. De voorzieningenrechter oordeelde dat de inschrijving op goede gronden ongeldig is verklaard en tevens dat de aanbestedingsprocedure op goede gronden is stopgezet. Eurosafe gaat vervolgens in hoger beroep.

Oordeel en overwegingen van het Hof:
Het hof stelt voorop dat op een aanbestedende dienst in beginsel geen rechtsplicht rust tot het sluiten van een overeenkomst. De aanbestedende dienst kan in ieder stadium van de procedure van opdrachtverlening afzien. De Staat heeft deze bevoegdheid ook neergelegd in aanbestedingsdocumenten. Eurosafe heeft niet gesteld dat zij zich daartegen heeft verzet en heeft ook overigens niet gesteld dat de Staat deze bevoegdheid niet heeft.

In het door de Staat aangehaalde arrest van 11 december 2014 (HvJ EU 11/12/2014, zaaknr. C-440/13, Croce Amica One Italia) heeft het Hof van Justitie de regel bevestigd dat de aanbestedende dienst niet slechts in uitzonderlijke gevallen van het plaatsen van een overheidsopdracht kan afzien en dat het besluit daartoe niet noodzakelijkerwijs op gewichtige redenen hoeft te berusten.

Het Hof van Justitie heeft verder overwogen dat een besluit tot intrekking van de aanbesteding kan zijn ingegeven door redenen die met name verband houden met de beoordeling of uit het oogpunt van het algemeen belang opportuun is om een aanbestedingsprocedure te voltooien, onder meer gelet op het feit dat de economische context of de feitelijke omstandigheden dan wel de behoeften van de aanbestedende dienst zijn gewijzigd. Het overwoog verder dat aan een dergelijk besluit ook de vaststelling ten grondslag kan liggen dat het concurrentieniveau te laag was, gelet op het feit dat aan het einde van de procedure voor het plaatsen van de betrokken opdracht nog slechts één geschikte inschrijver geschikt bleek om deze uit te voeren.

Met dit arrest van het HvJEU in gedachten, is het de Staat ook toegestaan om de aanbestedingsprocedure in te trekken als de inschrijving van Eurosafe ten onrechte ongeldig zou zijn verklaard. Dan zou immers slechts één geschikte inschrijver resteren die de opdracht uit kan voeren. Dit kan voor de Staat reden zijn de aanbesteding te beëindigen en ervoor te kiezen de opdracht in gewijzigde vorm in de markt te zetten.

Het hof (Den Haag) overweegt voorts dat se vraag of bij een nieuwe aanbesteding sprake zal zijn van een wezenlijke wijziging van de specificaties van de opdracht, nu nog niet kan en behoeft te worden beoordeeld, maar zal eerst in die nieuwe aanbestedingsprocedure aan de orde kunnen komen.

Conclusie:
Aanbestedende diensten hebben een grote mate van vrijheid om de aanbesteding stop te zetten. Wel is belangrijk dat dit gesteund kan worden door de aanbestedingsdocumenten en dat de besluitvorming op een transparante wijze gebeurt en de motivatie goed doortimmerd is. Het risico is anders aanwezig dat de besluitvorming de rechterlijke toets der kritiek niet kan doorstaan.

Bron:
ECLI:NL:GHDHA:2015:219 Hof Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2014:12126 Voorzieningenrechter Den Haag.

Comments closed.