Als ouder wil je er voor zorgen dat je kind goed verzorgd is, ook als beide ouders onverhoopt voortijdig komt te overlijden. Om er voor te zorgen dat kinderen ook in een dergelijk geval verzorgd achterblijven worden er vaak voorzieningen getroffen in de vorm van verzekeringen. Kinderen gaan dan vaak bij een voogd inwonen die over het algemeen bij testament is aangewezen. Dat brengt voor de voogd allerlei kosten met zich mee voor onder meer huisvesting, eten, kleding, studie, sport enzovoorts. Als beide ouders komen te overlijden, op welke gronden moet je dan eigenlijk de schade vaststellen? Moet je uitgaan van de kosten zoals die worden gevoeld door de voogd of moet je uitgaan van de kosten die kinderen zouden voelen als waren zij in het ouderlijk huis blijven wonen?

Hoewel het vaker voorkomt dat beide ouders komen te overlijden, is hier bijzonder weinig jurisprudentie over. In onderhavige zaak is door de rechtbank in Rotterdam een kader gegeven.

De feiten:
In 2011 zijn bij een ernstig verkeersongeval beide ouders van een paar kinderen overleden doordat een Audi op hoge snelheid op de auto is gebotst waarin zij zich bevonden. Ook de bestuurder van de Audi is overleden ten gevolge van zijn verwondingen. De Audi was verzekerd bij SNS Reaal en zij erkent aansprakelijkheid als verzekeraar in deze zaak. De kinderen wonen nu bij hun oom en tante die als voogd zijn aangewezen.

De vraag in de rechtszaak is nu op welke gronden de omvang de schade moet worden bepaald. Moet worden uitgegaan van een kostenpatroon zoals zich dat voor zou doen als de kinderen in het ouderlijk huis zouden blijven wonen of moet uit worden gegaan van de huidige situatie waarin de kinderen bij de voogden wonen? De eerste situatie is allicht kostbaarder omdat dan apart kosten voor huisvesting meegenomen moeten worden.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
Uitgangspunt is dat ingevolge art. 6:108 lid 1 aanhef en onder a BW degene die aansprakelijk is voor een gebeurtenis ten gevolge waarvan iemand overlijdt, verplicht is tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan een achterblijvend minderjarig kind. Deze verplichting tot schadevergoeding heeft een gemengd karakter. Enerzijds dient de omvang van die plicht — die in beginsel strekt tot volledige schadevergoeding — te worden bepaald door de bijdrage die de overleden ouder zou hebben geleverd in het levensonderhoud van het achterblijvende kind te vergelijken met de positie waarin de nabestaande door dat overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren. Daarbij dient in beginsel de gehele financiële positie van de nabestaande in aanmerking te worden genomen.

Anderzijds heeft deze verplichting mede een – kort gezegd – alimentatierechtelijk karakter. Hieruit volgt onder meer dat de nabestaande aan art. 6:108 BW slechts een vordering kan ontlenen voor zover bij deze sprake is van behoeftigheid, gerelateerd aan de specifieke situatie van de huishouding waarvan de overledene en de nabestaande deel uitmaakten.

De schadevergoeding ten behoeve van de kinderen dient een zodanige omvang te hebben dat de kinderen daardoor in een situatie worden gebracht dat zij ondanks het overlijden van hun ouders ieder in materiële zin tot het moment van hun financiële zelfstandigheid het leven zullen kunnen leiden dat zij naar redelijke verwachting zouden hebben geleid indien de ouders niet vroegtijdig waren overleden. Dit geldt ongeacht de situatie waarin de kinderen na het (gelijktijdig) overlijden van hun ouders zijn komen te verkeren dankzij de wijze waarop naasten van de overleden ouders hen hebben opgevangen. Een andere opvatting zou tot het onredelijke resultaat leiden dat de onderhoudslast van de kinderen in plaats van de op de aansprakelijke persoon wordt gelegd op die naasten.

Bij gebreke van enige indicatie voor het tegendeel valt redelijkerwijs te verwachten dat de kinderen, indien hun ouders niet waren overleden, tot hun financiële zelfstandigheid in het ouderlijk huis zouden zijn gebleven en dat de ouders in de woonlasten hadden voorzien. Hiermee is de behoefte van de kinderen aan woonruimte als het ouderlijk huis of een vergelijkbare woning gegeven. De jonge leeftijd van die kinderen ten tijde van het overlijden van hun ouders maakt dat niet anders. De situatie waarin de kinderen na het overlijden van hun ouders in het ouderlijk huis waren blijven wonen had zich kunnen voordoen. De voogden hadden er immers ook voor kunnen kiezen om de kinderen in hun vertrouwde omgeving te laten en met hun gezin in het ouderlijk huis van de kinderen te trekken.

De rechtbank verklaart voor recht dat voor de berekening van het door de kinderen gederfd levensonderhoud (zowel in geld als in natura) als uitgangspunt dient te worden genomen dat zij in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen en de voogden met hun gezin daar zouden zijn ingetrokken.

Conclusie:
De tekst van artikel 6:108 BW is weinig duidelijk en leidt dan ook vaker tot interpretatievragen van zowel verzekeraars als van nabestaanden. Ook advocaten is het lastig vraagstuk zoals blijkt uit r.o 4.2. waar beide advocaten in de procedure aangaven nog niet bekend te zijn met een casus als deze waarin de beide ouders waren overleden.

In deze procedure blijkt ook het gecompliceerde karakter van 6:108 BW omdat het een alimentatief karakter heeft en niet het karakter van een volledige schadevergoeding omdat er sprake dient te zijn van een zekere behoeftigheid. Aan de andere kant dient de omvang van de schadevergoedingsverplichting te worden bepaald door de bijdrage die de overleden ouder zou hebben geleverd in het levensonderhoud van het achterblijvende kind te vergelijken met de positie waarin de nabestaande door dat overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren. Dit is juist weer een maatstaf zoals die wordt gehanteerd bij volledige schadevergoedingen.

De kantonrechter kiest in deze zaak voor de fictie dat de kinderen thuis zouden zijn blijven wonen omdat het zo kan zijn dat zij op enig moment weer zijn aangewezen op eigen huisvesting. De rechter houdt hier dus rekening met de onzekerheid van de toekomst voor de kinderen en beperkt zich niet tot de feitelijke situatie zoals deze is ontstaan door het voortijdig overlijden van de ouders en het feit dat de kinderen nu zijn ingetrokken bij hun oom en tante.

Bron:
ECLI:NL:RBROT:2014:10051

Comments closed.