Bestuurders van een vennootschap zijn gehouden een administratie te voeren waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Reeds enige tijd bestaat onduidelijkheid over de invulling van het criterium door de jurisprudentie en of de resultaten daarvan wel helemaal in lijn zijn met de wettelijke bepaling. De Hoge Raad geeft in onderhavige zaak verduidelijking.

De feiten:
De curator van de failliete vennootschap FSM heeft de verweerders in cassatie aansprakelijk gesteld voor een faillissementstekort op grond van artikel 2: 248 BW. Deze vordering van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt onderbouwd op grond van artikel 2:10 BW. De curator stelde dat verweerders de zogenaamde boekhoud- of administratieplicht hadden geschonden.

Jurisprudentie en wettelijke bepaling:
In cassatie stelt de curator zich op het punt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de boekhoudplicht. Het hof wees de vordering af met het het arrest Brens q.q./Sarper (HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713) in de hand. Kernoverweging uit dat arrest heeft geleid tot de volgende Kernoverweging heeft geleid tot volgende standaard in jurisprudentie:

de administratie moet zodanig zijn dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Volgens de curator omvat de administratieplicht niet slechts het bieden van een snel inzicht in de vermogenspositie maar dient er ook sprake te zijn van een juiste weergave van het vermogen en het resultaat. Door aansluiting te zoeken bij de beperktere liquiditeits- en vorderingsgegevens uit Brens q.q./Sarper zou het hof dit hebben miskend.

Oordeel Hoge Raad:
De Hoge Raad verduidelijkt dat zij in het arrest Brens q.q./Sarper geen van artikel 2:10 BW afwijkende maatstaf heeft geformuleerd, maar slechts geoordeeld heeft dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft dus geen afwijkende maatstaf geformuleerd maar geoordeeld dat de het oordeel van de feitenrechter in cassatietechnische optiek correct was. De klacht faalt

Conclusie:
In de literatuur werd met enige regelmaat gedebatteerd over hoe de formule van de Hoge Raad in het Brens q.q./Sarper arrest moest worden uitgelegd. Meer specifiek ging het daarbij om de vraag of de Hoge Raad een minder breed criterium had geformuleerd dan in de wet stond. De Hoge Raad verschaft met dit arrest duidelijkheid dat de formule slechts in cassatietechnische zin moet worden gezien. Daarmee is in ieder geval weer één vraag beantwoord.

ECLI:NL:HR:2014:2932

Comments closed.