Hier bij legallife hameren we er met grote regelmaat op dat kleine fouten grote gevolgen kunnen hebben. Een lettertje verkeert in een overeenkomst of één verkeerde druk op de knop kan het verschil zijn tussen een winst of een grote verliespost op je balans. In dit geval kostte een goed oplettende pandgever ING maar liefst € 80.000,- door een administratief foutje van de bank.

De feiten:
In 2006 verstrekte ING een krediet. Ter zekerheid van dit krediet werd een pandrecht gevestigd op een depositorekening van de schoonvader van X ter hoogte van een bedrag van € 80.000,- De depositorekening werd ook aangehouden bij ING. Zodoende had ING als schuldeiser een pandrecht op een vordering van haarzelf (als schuldenaar) op de pandgever. In de pandakte was bepaald dat de pandgever niet zelf over het deposito kon beschikken.

In 2010 verliep het deposito. Normaliter is dat geen probleem maar door een interne communicatiefout werd het deposito overgeboekt naar een betaalrekening van pandgever. De pandgever boekte het bedrag vervolgens onmiddellijk over naar een rekening bij de Rabobank.

Debiteur hield op met het aflossen van het krediet. ING probeerde vervolgens het pandrecht uit te oefenen. Pandgever weigert echter en ING start vervolgens een proces.

Oordeel en overwegingen van het hof:
ING heeft haar vordering tot betaling in eerste aanleg primair gegrond op een verhaalsrecht ex artikel 6:33 BW en subsidiair op wanprestatie ex artikel 6:74 BW.

Op grond van artikel 6:33 BW heeft de schuldenaar een verhaalsrecht jegens de schuldeiser, indien hij in weerwil van een medegedeeld pandrecht op de vordering aan de schuldeiser heeft betaald en de schuldenaar deswege genoodzaakt wordt om opnieuw te betalen en wel aan de inningsbevoegde pandhouder. ING heeft in weerwil van het aan haar medegedeelde pandrecht, aan haar pandgever betaald. Deze betaling was weliswaar gebaseerd op een verkeerde betaling maar niemand verplichtte ING voor een tweede maal te betalen waardoor ook geen vorderingsrecht op grond van artikel 6:33 BW ontstaat.

ING betoogt dat zij nogmaals kan innen. In de praktijk geschiedt dit door een bedrag van één van haar eigen rekeningen af te schrijven en te laten bijschrijven op de rekening-courant van kredietnemer. Een dergelijke betaling zou je kunnen zien als een (tweede) betaling door ING (als debiteur) aan ING (als inningsbevoegde pandhouder), aldus ING. Die vlieger gaat echter niet op om twee redenen:

  1. Van een genoodzaakt zijn opnieuw te betalen in de zin van artikel 6:33 BW is in dat geval geen sprake.
  2. Betaling dient een vermogensverschuiving van schuldenaar naar schuldeiser tot gevolg te hebben. Dit geldt ook voor de betaling als bedoeld in artikel 6:33 BW. Een interne betaling van ING voldoet hier niet aan.

Het subsidiaire betoog van ING behelst een beroep op wanprestatie van de pandgever. Het hof stelt vast dat het pandrecht is vervallen als gevolg van de abusievelijke betaling door ING. De vraag ligt dan voor of pandgever bij de overeenkomst tot verpanding meer of andere verbintenissen op zich heeft genomen dan die tot het vestigen van een pandrecht waardoor zij alsnog verplicht is zekerheid te stellen voor het verleende krediet.

ING stelt dat de pandakte voor onbepaalde tijd geldt en dat pandgever had moeten beseffen dat de overboeking een fout was van de zijde van ING. In het verlengde daarvan had pandgever moeten beseffen dat ING het pandrecht niet wilde prijsgeven en dat hij ook na de overboeking niet vrijelijk over het bedrag mocht beschikken.

ING wijst daarbij op de bewoordingen in de akte:

De pandgever zal zonder toestemming van de bank niet over een verpand tegoed kunnen beschikken; de bank zal toestemming tot beschikking geven indien en voor zover hetgeen na beschikking zal resteren, nog voldoende dekking biedt voor hetgeen de bank van de kredietnemer te vorderen heeft of zal krijgen

Het hof is een andere mening toegedaan. De bewoordingen zijn een uitleg van de wettelijke gevolgen van de verpanding namelijk dat hij door het pandrecht van ING niet vrijelijk over het geld kan beschikken. Uit de bewoordingen volgt niet dat pandgever niet vrijelijk mag beschikken over de gelden nadat het pandrecht is komen te vervallen. Tot besluit overweegt het hof dat pandgever uit de abusievelijke betaling mocht afleiden dat ING de bedoeling had het verpande bedrag vrij te geven.

Conclusie:
Een klein foutje heeft in dit geval grote gevolgen voor ING. Bij de schuldenaar kunnen ze kennelijk niets meer halen en de zekerheid die ze bedongen hadden blijkt vervallen te zijn door een abusievelijke overboeking. Een poging om een verhaalsrecht op basis van artikel 6:33 BW te bewijzen zijn vruchteloos daar geen tweede betaling heeft plaatsgevonden.

Een beroep op wanprestatie mag ook niet baten. Uit de pandakte volgt niet dat na het vervallen van het pandrecht nog zekerheid moet worden verstrekt.

Bron:
ECLI:NL:GHAMS:2014:4071

Comments closed.