Enkele weken geleden deed het HvJEU een belangrijke uitspraak met betrekking tot het recht om ‘vergeten’ te worden door Google. Die zaak was aanhangig gemaakt door een Spaanse man. Via de zoekmachine van Google was een krantenartikel te vinden uit 1998, waarin de gedwongen verkoop van bezittingen van de Spanjaard werd aangekondigd. Het oude bericht belemmerde hem om persoonlijk en in het economisch verkeer een nieuw leven te beginnen. Zo was het lastig om een baan te vinden omdat het krantenartikel telkens direct naar boven kwam bij het zoeken op zijn naam. Omdat de man vond dat de informatie zijn relevantie intussen had verloren – en daarom enkel zijn reputatie schaadde – begon hij een proces tegen de krant en Google.

Het recht om vergeten te worden:
Het HvJEU oordeelde in het zogeheten Costeja-arrest dat search engines zoals Google losse stukken informatie met elkaar in verband brengt die normaliter moeilijk met elkaar in verband kunnen worden gebracht. Het wordt voor de gebruiker van de zoekmachine mogelijk om een min of meer gedetailleerd profiel te construeren van een persoon. Dit zou in potentie in conflict kunnen komen met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Daarop volgde de opmerkelijke conclusie dat de oorspronkelijke publicatie van het krantenartikel rechtmatig was maar dat Google wel het resultaat uit zijn zoekmachine moet verwijderen.

Felle discussie:
Sinds de uitspraak is tussen voor- en tegenstanders van de uitspraak een felle discussie uitgebroken. De tegenstanders stellen zich op het standpunt dat de uitspraak in strijd is met het recht op vrijheid van spraak en vrije toegang tot informatie terwijl de voorstanders zich beroepen op het recht op privacy. Ondertussen wordt deze discussie ook in de rechtszaal nader uitgewerkt. In onderhavige zaak eiste een veroordeelde man bij de voorzieningenrechter verwijdering van zijn gegevens uit de zoekresultaten op basis van het hierboven besproken arrest.

De feiten:
Eiser is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf naar aanleiding van een poging tot het uitlokken van huurmoord. Eiser wilde dat Google verschillende links die verwijzen naar websites waarop informatie staat over de veroordeling van eiser in 2012 zou verwijderen. Eiser baseerde zich daarbij op de Wet bescherming persoonsgegevens en een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU.

Oordeel en overwegingen voorzieningenrechter:
Bij de beoordeling van de vorderingen tot verwijdering van eiser onwelgevallige zoekresultaten dient voorop te worden gesteld dat in dit kort geding ervan dient te worden uitgegaan dat eiser in 2012 is veroordeeld voor poging tot uitlokking van een huurmoord. Dat eiser tegen dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld, doet daaraan niet af. Aangenomen moet dus worden dat eiser recentelijk een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd.

Dat brengt veel publiciteit met zich mee. Nu zal eiser de gevolgen van zijn eigen handelen moeten dragen. Het plegen van een misdrijf heeft nu eenmaal tot gevolg dat men op zeer negatieve wijze in het nieuws kan komen en dit laat ook op het internet – mogelijk zelfs zeer langdurig – zijn sporen na. Het Costeja-arrest beoogt personen niet te beschermen tegen alle negatieve berichten op internet, maar alleen tegen het langdurig ‘achtervolgd worden’ door berichten die ‘irrelevant’, ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn.

De veroordeling voor een ernstig misdrijf en de negatieve publiciteit als gevolg daarvan zijn in het algemeen blijvend relevante informatie over een persoon. De negatieve kwalificaties die daarbij kunnen voorkomen zullen slechts in zeer uitzonderlijke gevallen ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn. Gedacht zou kunnen worden aan de situatie dat het gepleegde feit zonder duidelijke aanleiding opnieuw aan de orde wordt gesteld met kennelijk geen ander doel dan de betrokkene te schaden of de situatie dat niet zozeer van zakelijke berichtgeving sprake is, maar van een ‘scheldpartij’. Ten aanzien van de zoekresultaten die eiser verwijderd wil zien is in de dagvaarding in het geheel niet onderbouwd waarom deze ‘irrelevant’, dan wel ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zouden zijn.

De vordering wordt afgewezen.

Conclusie:
Het recht om vergeten te worden is niet absoluut. Het beoogt slechts bescherming te bieden tegen berichten die ‘irrelevant’, ‘buitensporig’ of ‘onnodig diffamerend’ zijn. Deze criteria zullen naar mijn verwachting is vrij restrictief worden uitgelegd zeker daar anders snel sprake zal zijn van een inbreuk op het recht van vrije spraak. In dit geval is het vrij duidelijk dat niet aan is voldaan aangezien het gaat om iemand die veroordeeld is voor een zeer ernstig misdrijf. Aangetekend zij daarbij dat het hoger beroep nog loopt en als dan vrijspraak volgt, zou de uitslag van een verzoek als het onderhavige wel eens heel anders uit kunnen pakken.

Deze uitspraak laat zien dat het Costeja-arrest een uitspraak is van groot belang. Het betreft immers een afweging tussen grondrechten en dergelijke zaken zijn zelden eenvoudig. Het open karakter van de gekozen bewoordingen zal naar mijn verwachting tot veel processen gaan leiden.

Hoe het verder moet met het recht om vergeten te worden is een goede vraag. In plaats van een debat te voeren over fundamentele vragen van het digitale tijdperk, reageerden zowel voorstanders als tegenstanders ongekend fel op elkaar. We zullen er voor moeten waken dat we bij dit soort problemen die de in toenemende mate digitaliserende met zich meebrengt, wel een constructief debat blijven voeren. De volgende generatie zal worden geboren in een wereld die een digitale geschiedenis van ruim 80 jaar met zich meedraagt. De vraag is hoe we een persoonlijke levenssfeer gaande houden in een wereld waarin iedereen alles al dan niet bewust op het web plaatst waardoor de wereld niets meer vergeet.

Comments closed.