Bij een echtscheiding gebeurt het geregeld dat partners gescheiden gaan leven. Als de gezamenlijke woning een koophuis is dan zal het in de regel verkocht moeten worden in het kader van de boedelverdeling. Bij een huurhuis kan eenvoudigweg de huur opgezegd worden. Wat gebeurt er echter, als beide partijen het exclusief gebruiksrecht van de gezamenlijk woning willen hebben?

De feiten:
In onderhavig kort geding zijn beide partijen, de gewezen echtgenoten in spe, gezamenlijk huurders van een woning. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren welke beiden nog minderjarig zijn. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw de woning verlaten en is zij bij haar moeder ingetrokken. De man is in de woning gebleven met de kinderen.

De vrouw vordert nu in kort geding het exclusieve gebruiksrecht van de woning omdat de man beloofd zou hebben dat hij na een aantal maanden het pand zou verlaten en ter beschikking zou stellen aan de vrouw. Volgens de vrouw is de huidige situatie onhoudbaar omdat de woning van de moeder veel te klein is. Bovendien kampt haar moeder met hartklachten en heeft zij behoefte aan rust. De vrouw is van mening dat de man kan intrekken bij zijn ouders of zijn zus die in de nabijheid wonen.

Oordeel en overwegingen van de voorzieningenrechter:
De man heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat er een afspraak was inhoudende dat hij de woning een paar maanden later zou verlaten. Volgens de man wilde de vrouw de woning verlaten en zou zij een ander huis zoeken. Omdat dit mislukt is, wil zij nu de zaak omdraaien. De man stelt dat hij de huurwoning langdurig bewoont en zijn familie te klein woont om daar met de kinderen bij in te trekken. .

Het bestaan van de afspraak is niet aannemelijk gemaakt door eiseres. Daar de situatie van beide partijen zowel voor wat betreft huisvestingsmogelijkheden als de zorg voor de kinderen vrijwel identiek is, ziet de voorzieningenrechter geen reden om de huidige situatie te wijzigen.

Conclusie:
Uit deze korte uitspraak komen een aantal elementen naar voren welke ook in soortgelijke jurisprudentie een rol spelen bij het bepalen van aan welke echtgenoot een gezamenlijke huurwoningen toekomt.

  1. Huur: het belangrijk wie op het contract staat als huurder. In het geval dat er sprake is van mede-huur zullen beide partners er samen uit moeten komen. Als zij hiertoe niet in staat zijn dan kan de rechtbank om een beslissing worden verzocht.

    In het geval dat er slechts één huurder op de overeenkomst staat dan is deze de enige die rechten kan doen gelden ten aanzien van de huurwoning. De ander zal het pand dan moeten verlaten.

  2. Kinderen: als er kinderen in het spel zijn en er is sprake van medehuur dan is de vraag wie het onderhoud van de kinderen op zich neemt. In het geval van co-ouderschap speelt dit geen rol omdat beide ouders de kinderen dan verzorgen maar als één van de ouders voor de kinderen zorgt dan is de kans groot dat deze de woning toegewezen krijgt.
  3. Is er reeds iemand vertrokken? Als de verblijfssituatie van beide ouders ongeveer gelijk is dan het huis worden toegewezen aan degene die daar is blijven wonen. Slechts als er een grondige reden is om de situatie te veranderen (zoals bijvoorbeeld de zorg voor kinderen) zal de rechter de woning aan de partner toewijzen die eerder uit huis ging.

Alles pivoteert dus op de vraag of er sprake is van medehuur. Als dit niet het geval is dan houdt het meteen op omdat slechts de huurder rechten en verplichtingen ten aanzie van de huurwoning heeft. Als er wel sprake is van medehuur, wordt er gekeken naar de omstandigheden van de beide huurders. Daarbij is van belang of één van beide reeds de woning heeft verlaten alsmede wie eventueel de zorg voor de aanwezige kinderen zal dragen.

Bron:
ECLI:NL:RBOBR:2014:2351

Comments closed.