Eindelijk is de Nederlandse geschriftenbescherming voor databanken om zeep geholpen door de Hoge Raad en dat heeft nogal wat voeten in aarde gehad.

De hele zaak begon met het conflict tussen PR Aviation en Ryanair. PR Aviation biedt via internet de mogelijkheid om vluchtgegevens te zoeken en prijzen te vergelijken waarna direct via de site geboekt kan worden met bemiddeling van PR Aviation. PR Aviation rekent daarvoor zeven euro bemiddelingskosten en biedt meteen de mogelijkheid aan een annuleringsverzekering af te sluiten. Ryanair vond dat PR Aviation inbreuk maakt op haar databankenrecht op de vluchtgegevens en op de auteursrechtelijke geschriftenbescherming. De zaak is nog niet geheel afgedaan en de Hoge Raad heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJEU maar het meest interessante aspect is dat eindelijk de geschriftenbescherming voor databanken afgeschaft is.

Voor de achtergrond van het probleem moeten we eventjes terug naar de Databankenrichtlijn die al lang correct geïmplementeerd had moeten zijn in de nationale regelgeving. Volgens de definitie van die richtlijn wordt een databank (zoals gedefinieerd in die richtlijn) beschermd als er sprake is van een eigen intellectuele creatie van de maker, dit wordt ook wel het oorspronkelijkheidscriterium genoemd. Dit botst natuurlijk met de geschriftenbescherming welke juist bescherming biedt aan onpersoonlijke geschriften.

Bij de implementatie in Nederland zijn de eisen voor sui generis bescherming van databanken en de definitie van databank door elkaar geraakt. Meer specifiek gaat het om het aspect van de substantiële investering. Voor de databank zoals gedefinieerd in de Europese richtlijn is dit geen vereiste maar in de Nederlandse wet is deze wel toegevoegd aan de definitie. Daar werd de gedachtegang aan gehangen dat dataverzamelingen waarin niet substantieel was geïnvesteerd niet onder de wettelijke definitie van databank vielen en dat daarom het oorspronkelijkheidscriterium niet gold voor deze dataverzamelingen. Het gevolg is dat de geschriftenbescherming in Nederland geldt voor dataverzamelingen waarin niet substantieel is geïnvesteerd terwijl dit eigenlijk helemaal niet de bedoeling is.

De Nederlandse situatie wringt eens te meer nu in maart 2012 het Football Dataco arrest is gewezen door het HvJEU. Daar is onomstotelijk in vastgesteld dat databanken slechts dan bescherming genieten wanneer is voldaan aan het oorspronkelijkheidscriterium. Er staat al een wetswijziging in de stijgers om deze situatie te repareren maar de Hoge Raad reduceert dit tot een formaliteit.

Het hoogtepunt van het vonnis zijn de overwegingen 3.5.1. & 3.5.2.:

3.5.1
In het oordeel van het hof ligt besloten dat de gegevensverzameling (hierna ook: de databank) van Ryanair niet aan dit oorspronkelijkheidscriterium voldoet, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Daarom heeft Ryanair geen belang bij de klachten van onderdeel 1.
De rechter dient immers zijn nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante richtlijn (HvJEU 10 april 1984, C-14/83, Jur. p. 1891 (Colson) en HvJEU 13 november 1990, C-106/89, Jur. p. I-4135, NJ 1993/163 (Marleasing)). Indien het onderdeel tot vernietiging zou moeten leiden, zou het verwijzingshof daarom tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat het beroep van Ryanair op art. 10 lid 1 onder 1° Aw, geen doel kan treffen, in aanmerking genomen
– dat niet is gebleken dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de Databankenrichtlijn in ons nationale recht iets anders voor ogen heeft gestaan dan een getrouwe omzetting daarvan,
– dat art. 10 lid 1 onder 1° Aw mede is gebaseerd op de veronderstelling dat de daarin bedoelde “andere geschriften” vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming, en
– dat databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen, zoals de onderhavige, blijkens de hiervoor in 3.4.3 aangehaalde uitspraak van het HvJEU niet vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming.

3.5.2
Het rechtszekerheidsbeginsel en de onwenselijkheid van wetsuitleg contra legem kunnen hieraan niet afdoen. De formulering van art. 10 lid 1 onder 1° Aw laat de hier bedoelde uitleg immers toe. Aan de bedoeling van de wetgever om de geschriftenbescherming voorshands te handhaven, komt bij de uitleg van de onderhavige bepaling geen overwegende betekenis toe. Dit is reeds het geval omdat – zoals hiervoor in 3.4.2 is overwogen – niet is gebleken dat de Nederlandse wetgever bij de handhaving van de geschriftenbescherming heeft willen afwijken van datgene waartoe de Databankenrichtlijn hem verplichtte, in samenhang met de omstandigheid dat de wetgever van de onjuist gebleken veronderstelling uitging dat de geschriftenbescherming buiten het bereik van de Databankenrichtlijn viel.

Als we dit stuk tekst condenseren dan blijven een aantal bepalende elementen over:

  • De rechter dient zijn nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante richtlijn
  • De wetgever heeft een fout gemaakt bij de implementatie van de richtlijn en uit niets blijkt dat dit bewust is gedaan.
  • Artikel 10 lid 1 onder 1° Auteurswet is mede gebaseerd op de veronderstelling dat de daarin bedoelde “andere geschriften” vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming
  • databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen zijn niet vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming.
  • Deze wetsuitleg is niet contra legem en er is evenmin strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De formulering van art. 10 lid 1 onder 1° Aw laat deze uitleg gewoon toe.

Daarmee is nu eindelijk een einde gekomen aan de geschriftenbescherming voor databanken in Nederland. De Hoge Raad neemt daarmee een voorschot op de wetswijziging waardoor deze eigenlijk nauwelijks meer van belang is in praktisch opzicht.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:88

Comments closed.