Er is vaak onduidelijkheid en debat over de vraag of beelden van verdachten nu wel of niet op internet mogen worden getoond door de politie. Als deze afweging niet correct wordt gemaakt kan dat leiden tot een vormverzuim onder art. 359a Sv wat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven en dat is iets wat je graag wilt voorkomen. De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak beslist dat de huidige wettelijke regelingen kunnen dienen als basis voor het publiceren van beelden op internet.

De feiten:
Op 4 december 2011 werd er gereld bij stadion De Galgenwaard te Utrecht tijdens en na een voetbalwedstrijd tussen FC Utrecht en FC Twente. Om de identiteit van enkele relschoppers vast te stellen zijn stills van camerabeelden van verdachte openbaar gemaakt, onder andere via de internetsite politie.nl. Naar aanleiding daarvan heeft de verdachte zich gemeld bij de politie omdat hij zichzelf herkende als de afgebeelde persoon. De verdachte is vervolgens veroordeeld wegens, kort gezegd, ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen’.

Bij het hof:
Artikel 2 van de Politiewet 1993 geeft de politie de bevoegdheid handelingen te verrichten die de in die bepaling aan haar opgedragen taak meebrengt. Dit artikel heeft een heel algemene taakomschrijving wat in combinatie met artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering als wettelijke grondslag afdoende is om het tonen van beelden van verdachte op internet te rechtvaardigen.

Daar komt nog bij dat het de gebruikte opsporingsmethode niet disproportioneel was nu de politie geen andere opties meer had. Eerdere oproepen in de pers aan verdachte(n) om zich te melden leverden niets op en er hebben zich geen getuigen gemeld. Ten slotte speelt de aard van de verdenking een rol.

Oordeel en overweging van de Hoge Raad:
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat art. 2 Politiewet 1993 in samenhang met art. 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van een of meer foto(’s) van de verdachte op internet. Het oordeel komt er op neer dat het plaatsen van de camerabeelden van de verdachte op internet onder deze omstandigheden niet in strijd is met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Derhalve was het niet onrechtmatig de beelden op internet te plaatsen. In het verlengde hiervan is er geen vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven. Mede gelet op hetgeen als verweer is aangevoerd, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en behoeft het geen nadere motivering.

Conclusie:
De Hoge Raad bevestigt dat art. 2 Politiewet 1993 in samenhang met art. 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van beelden van verdachten op internet. Voorwaarde hiervoor is wel dat voldaan is de vereisten van de proportionaliteit en subsidiariteit, anders kan er alsnog sprake zijn van vormverzuim met alle vervelende gevolgen van dien.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:23

Comments closed.