In een belangrijke zaak die onlangs diende voor het EHRM werd bepaald dat een publicatie over een overleden vader onrechtmatig kan zijn jegens diens zoon. De deur voor ‘defamation of the dead’ zaken wordt hiermee op een kier gezet.

De feiten:
In 1942 vond de Match Smerti ofwel Death Match plaats. Dit was een voetbalwedstrijd tussen een Oekraïens team met enkele spelers van Dinamo Kiev en een team van de Duitse Luftwaffe. De Oekraïners wonnen met 5 – 3 ondanks vermeend onsportief gedrag van Duitse zijde, bedreigingen met sancties tegen hen en een partijdige scheidsrechter die SS-officier was. Het gevolg van het winnen zou zijn geweest dat de spelers werden afgevoerd naar een plaatselijk concentratiekamp waar vier van hen werden geëxecuteerd.

Op 3 april 2001 verscheen in de krant Komsomolska Pravda een artikel getiteld ‘De waarheid over de Death Match’ waarin werd gesuggereerd dat enkele Oekraïnse spelers helemaal geen helden waren maar collaborateurs. Er werd niet aangegeven om welke spelers het precies zou gaan. Putitsin Jr., zoon van één van de inmiddels overleden spelers genaamd Putitsin, vond dat dit artikel de reputatie van zijn vader beschadigde en vorderde rectificatie. De Oekraïnse rechter wees zijn claims af en vervolgens wendde Jr. zich tot het EHRM.

Ongebruikelijke vraag:
Het EHRM schaart het feitencomplex en klacht onder artikel 8 van het EVRM. Dit artikel regelt het recht op bescherming van het privéleven. Normaliter gaan klachten bij EHRM over directe schade aan eigen reputatie ten gevolge van het handelen van de wederpartij. Opmerkelijk aan deze zaak is de vraag of beschadiging van reputatie van de overleden vader óók inbreuk maakt op de rechten van de zoon onder artikel 8 EVRM.

Oordeel en overwegingen van het EHRM:
Het EHRM oordeelt dat de reputatie van een overleden persoon onder omstandigheden van invloed kan zijn op het privéleven van iemand en dus onder het bereik van artikel 8 kan komen.

The Court can accept, as do the Government, that the reputation of a deceased member of a person’s family may, in certain circumstances, affect that person’s private life and identity, and thus come within the scope of Article 8.

In dit geval is er echter geen sprake van een schending van artikel 8. De identiteit van de vader blijkt niet duidelijk uit het krantenartikel noch wordt ergens direct de suggestie gedaan dat de vader een collaborateur was. De belangen van de zoon zijn te indirect en te ver verwijderd om als inbreuk op artikel 8 te kunnen kwalificeren. Daarnaast heeft ook de media een een belang om over deze kwestie te berichten. Het gaat namelijk om een zaak van publiek belang die in de schijnwerpers staat. De rechten van de zoon zullen daarom tegen die van de media moeten worden afgewogen. De toon van het krantenartikel was noch sensationeel noch provocatief en op een correcte manier opgeschreven. Het belang van de pers weegt in dit geval zwaarder dan de zeer indirecte belangen van de zoon.

De klacht wordt afgewezen.

Conclusie:
Interessant is de beantwoording van de vraag of het mogelijk is dat door het schaden van de reputatie van de overleden vader Putitstin er ook inbreuk werd gemaakt op de rechten van de zoon Putitstin jr. onder artikel 8 EVRM. Het EHRM accepteert dat dit onder omstandigheden mogelijk is. Vervolgens vindt er een belangenafweging plaats over de rechten van de zoon enerzijds en de rechten van de krant anderzijds in het nadeel van de eerste omdat de belangen te ver verwijderd en indirect zijn.

Het EHRM lijkt hiermee de deur op een kier te zetten voor defamation of the dead zaken. Familie van een overledene zou dan op basis van artikel 8 EVRM kunnen optreden tegen het schaden van de reputatie van de overledene. Het is dan echter wel vereist dat er een direct verband is tussen de reputatieschade van de overledene en een schending van de privésfeer van de nabestaande. De beantwoording van deze vraag zal zeer casuïstisch van aard zijn zoals uit dit arrest blijkt.

Bron:
EHRM 21/11/2013, zaaknr. 16882/03, Putitstin / Oekraïne

Comments closed.