De waardebepaling van woningen bij erfbelasting blijft een heikel punt. In wordt met artikel 21 lid 5 SW aangesloten bij de WOZ-waarde van een huis. Deze WOZ-waarde is echter gebaseerd op de waarde van de woning per 1 januari van het voorafgaande jaar. In een sterk dalende markt betekent dat er soms een fors gat zit tussen de waarde op de peildatum en wat het huis daadwerkelijk waar is op het moment van overlijden. Erfgenamen moeten dan eigenlijk belasting betalen over vermogen wat ze niet daadwerkelijk erven en hebben veelal geen liquiditeiten om een belastingbedrag op te hoesten. Onder omstandigheden zal de rechter een correctie toepassen als er sprake is van een buitensporige last voor belanghebbende. In onderhavige zaak paste de rechtbank een dergelijke correctie toe. Dit behandelde ik reeds in een artikel dat ik in 2012 schreef. Hof Amsterdam is echter een andere mening toegedaan

De feiten:
Belanghebbenden erfden in 2010 een woning. De WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2010, naar de waardepeildatum 1 januari 2009, bedraagt € 840.000. De WOZ-waarde van de woning is voor het kalenderjaar 2011, naar de waardepeildatum per 1 januari 2010, vastgesteld op € 762.500. In de aangifte voor de erfbelasting is aan de woning een waarde van € 762.500 toegekend, zijnde de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2010. Met het oog op artikel 21 lid 5 SW heeft de inspecteur de waarde gecorrigeerd naar € 840.000. Net als in het eerdere artikel is in geschil of artikel 21, vijfde lid, Successiewet 1956 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Artikel 1 van het Eerste Protocol garandeert het recht op ongestoord genieten van eigendom maar bevestigt ook expliciet het recht van Staten om belasting te heffen zolang daarbij de rechten die het EVRM geeft maar worden gerespecteerd. Het begrip eigendom moet ruim worden uitgelegd en ook rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen moeten hieronder worden begrepen.

Het Hof is van oordeel dat er weliswaar een recht is op het ongestoorde genot van de geërfde woning en dat de onderhavige heffing van belasting daarop een inbreuk vormt, maar dat deze inbreuk gerechtvaardigd is. De wetgeving is op regelmatige wijze tot stand gekomen en is voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening. Met de nationale wetgeving wordt bovendien een legitiem algemeen belang nagestreefd.

Het vonnis van het hof laat vervolgens duidelijk de proportionaliteitstoetsing op twee niveaus zien. Het gaat hierbij om de vraag of er een redelijke proportionaliteit bestaat tussen het individuele belang van de door deze heffing getroffen belastingplichtigen en het algemeen belang. Allereerst op het niveau van regelgeving en vervolgens op individueel niveau.

Het hof geeft geheel in lijn met vaste jurisprudentie van het HvJEU aan dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) toekomt wat betreft de beoordeling van wat in het algemeen belang is, alsmede bij de keuze van de middelen om dit belang te dienen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de wet, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. Voor deze vereenvoudiging is essentieel dat de WOZ-waarde in zoveel mogelijk gevallen wordt gebruikt en dat daarmee discussies over de waarde worden vermeden.

Het Hof is van oordeel dat de vereiste ‘fair balance’ tussen het algemene belang en de bescherming van de met deze wetgeving gemoeide individuele belangen van betrokken belastingplichtigen niet is geschaad. De wetgever heeft als doel gehad een praktische en eenvoudige regeling voor de waardering van eigen woningen te treffen. Daarbij is aanvaard dat de relevante waarderingsdatum minimaal 12 en maximaal 24 maanden ligt vóór de overlijdensdatum. Van de afwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan deze keuze kan niet worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen.

Dan gaat het hof over tot het toetsen van proportionaliteit op individueel niveau. In dat kader wordt gekeken of belanghebbenden als gevolg van de onderhavige heffing een buitensporige last dragen (‘individual and excessive burden’). Zo er al sprake is van een vervluchtigde waarde, bedraagt deze hooguit € 40.000. Dit is gering in vergelijking met de verkrijging als geheel (waarin begrepen de woning). Er is dan ook geen sprake van een buitensporige last voor belanghebbenden. De woning moet dus in de aangifte erfbelasting worden opgenomen voor de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2010 (waardepeildatum 1 januari 2009).

Conclusie:
Met deze uitspraak wordt eens te meer geïllustreerd hoe casuïstisch de toepassing van artikel 21 lid 5 SW is. De rechter zal vrijwel altijd van oordeel zijn dat de belastingheffing een gerechtvaardigde inbreuk is op artikel 1 Eerste Protocol en dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven waar het gaat om de proportionaliteitstoets aan de wet. Het breekpunt is vrijwel altijd of er sprake is van een buitensporige last voor belanghebbenden tengevolge van toepassing van de regelgeving. In het eerdere artikel wat ik schreef was de rechter nog van oordeel dat de last buitensporig was, het hof ziet dit anders omdat de vervluchtiging van de waarde minimaal is in verhouding tot de totale waarde van de nalatenschap.

Of dit nu als een buitensporige last gezien moet worden, kan uren over gediscussieerd worden. Zelf ben ik de mening toegedaan dat een gat van minstens 12 maanden en maximaal 24 maanden tussen het moment van waardebepaling en moment van overlijden wel erg groot is met name in de rap fluctuerende marktwaardes in het huidige economische klimaat. Aan de andere kant valt er ook wel wat te zeggen voor eenvoud van het systeem.

Het vonnis is in ieder geval zeer de moeite waard om eventjes na te lezen. Het is heel goed zichtbaar hoe het Hof stapsgewijs te werk gaat met de toetsing van de regelgeving.

Bron:
Gerechtshof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2013:4593

Comments closed.