Een bizarre kwestie diende bij het Regionaal Tuchtcollege. Een arts die gepoogd heeft zijn vrouw in brand te laten steken mag vooralsnog aanblijven.

De feiten:
De arts had problemen met zijn voormalige echtgenote over alimentatie omgang met de kinderen. Uit boosheid heeft hij twee junks betaald om haar in brand te steken in haar woning. De vrouw overleefde het voorval maar raakte ernstig verminkt. Bij de strafzaak is onderzoek verricht naar de psychische gesteldheid van de arts. De conclusie van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek is onder meer dat er sprake is van een ernstige persoonlijkheidsstoornis, gekenmerkt door borderline, narcistische en antisociale aspecten. Op grond hiervan heeft het gerechtshof verweerder enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De arts werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar wegens het medeplegen van poging tot moord en het medeplegen van opzettelijke brandstichting.

Per juli 2012 is de arts in het kader van een penitentiair programma, waarin hij in toenemende mate vrijheden kreeg, via een uitzendbureau als basisarts aan het werk gegaan in een verpleeghuis. Hij had daarbij geen melding gemaakt van zijn strafrechtelijk verleden, er was niet doorgevraagd naar het ‘gat’ in zijn curriculum vitae en er was niet om afgifte van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) gevraagd.

In december 2012 kreeg de Inspectie voor de Gezondsheidszorg (IGZ) lucht van de situatie naar aanleiding van vragen van de pers aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Inspectie benaderde de werkgeefster van de arts. Dit leidde er toe dat de arts op non-actief werd gesteld en uiteindelijk heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden.

De Inspectie is nu naar de tuchtrechter gestapt. Hij zou de tweede tuchtnorm als neergelegd in artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG heeft geschonden. Zijn daden zijn niet te verenigen met de beroepsuitoefening van een arts, de artseneed en ze zijn dermate ernstig dat er een onmiddellijk gevaar is voor de individuele gezondheidszorg. De Inspectie verzoekt de registratie van verweerder in het BIG-register door te halen en hem met onmiddellijke ingang te schorsen.

Oordeel en overwegingen van de tuchtrechter:
De tuchtrechter verklaart de Inspectie niet-ontvankelijk in haar zaak. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wet BIG blijkt het uitgangspunt is dat alle activiteiten die een beroepsbeoefenaar in zijn hoedanigheid van zorgverlener beroepsmatig uitoefent onder het bereik van het tuchtrecht vallen. Het handelen van de arts, verwerpelijk als het is, vond plaats in de relationele sfeer. Hij had daarbij ontegenzeggelijk niet de hoedanigheid van arts.

Uit de hierboven genoemde omstandigheden blijkt dat het tuchtrecht in de gezondheidszorg blijkt geen ruimte laat voor het ontvankelijk verklaren van de Inspectie. Een dergelijke ontvankelijkheid zou overigens voor de toekomst de deur open zetten voor tuchtklachten (niet zozeer afkomstig van de Inspectie maar wel van andere klagers) over het privéhandelen van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg, waarbij telkens weer onzekerheid zou bestaan welke gevallen wel en welke gevallen niet onder het bereik van het tuchtrecht vallen. Dat zou onwenselijk zijn.

Is het daarmee afgelopen?
Nee, zeker niet. De tuchtrechter is zich zonder meer bewust van de onwenselijkheid van de bestaande situatie. De Inspectie staat niet met lege handen. De Inspectie kan een procedure starten bij het College voor Medisch Toezicht om er alsnog voor te zorgen dat er een definitief einde komt aan de mogelijkheid van de man om als arts te werken. Een dergelijke zaak kan uitsluitend door de Inspectie worden aangespannen. In een dergelijke procedure bestaat de mogelijkheid om te laten beoordelen of de arts al dan niet geschikt moet worden geacht tot de uitoefening van zijn beroep. In dat verband kan opdracht kan worden gegeven hem psychiatrisch te onderzoeken op zijn actuele psychische gesteldheid. De arts heeft zich daartoe ter zitting reeds bereid verklaard.

Conclusie:
De tuchtrechter heeft deze beslissing waarschijnlijk genomen om de bestendige lijn in de jurisprudentie dat het privéhandelen van artsen niet toetsbaar is, vast te houden. Dat lijkt wellicht een vreemde beslissing maar de Inspectie heeft een alternatief, namelijk naar het College voor Medisch Toezicht stappen. Dit zal vrijwel zeker resulteren in het schrappen van de arts uit het BIG-register zeker aangezien bij een eerder onderzoek al forse psychische gebreken zijn geconstateerd.

Overigens vind ik het opvallend dat er in dit geval kennelijk geen gebruik gemaakt is van de mogelijkheid die het strafrecht biedt om een beroepsverbod op te leggen [punt 4 Het standpunt van de verweerder]. Een ander punt is dat de zorginstelling kennelijk nooit naar een VOG heeft gevraagd en het ook niet vreemd heeft gevonden dat er een behoorlijk gat in het C.V. van de man zat. Men zal daar waarschijnlijk voortaan wel wat zorgvuldiger met de sollicitatieprocedure omgaan.

Saillaint detail is dat de arts twee dagen voor de zitting bij Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg terechtstond voor de meervoudige strafkamer op verdenking van mishandeling van zijn vriendin en haar moeder. Inmiddels is hij veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en ten uitvoerlegging van de oorspronkelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Bron:
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle ECLI:NL:TGZRZWO:2013:51

Comments closed.