Na een echtscheiding wordt er vaak partneralimentatie toegewezen. Op grond van artikel 1:160 BW eindigt deze verplichting wanneer de ex-partner opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak duidelijk gemaakt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd vanwege het definitieve en onherroepelijke karakter ervan.

De feiten:
De vrouw en de man zijn in 2007 met elkaar gehuwd. De man heeft de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen, de rechtbank heeft vervolgens echtscheiding uitgesproken. De vrouw tekende hoger beroep aan waarbij zij verzocht om partneralimentatie ter hoogte van € 2.250,– per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om partneralimentatie.

Bij het hof:
De man stelde dat de vrouw al geruime tijd met een ander samenwoonde als ware zij gehuwd. De man stelt dat de vrouw in 2011 zwanger is geraakt van een ander en een kind heeft gekregen. Het staat vast dat de man niet de biologische vader is. Voorts zou de vrouw op 1 september 2011 een e-mail heeft gestuurd aan de ouders van de persoon met wie zij samenwoont en staat zij slechts voor de vorm ingeschreven op het adres van haar vader. De man heeft nauwkeurig aangegeven vanaf welke datum de vrouw met een ander samenwoont. De vrouw heeft het standpunt van de man niet (gemotiveerd) weersproken.

Het hof heeft overwogen dat er een duidelijk bewijsvermoeden bestaat dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. De vrouw heeft dit bewijsvermoeden niet weersproken, hetgeen wel op haar weg lag. Het hof stelt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:160 BW en de onderhoudsplicht voor de man eindigt.

Oordeel van de Hoge Raad:
De vrouw ging in cassatie. Zij voert aan dat het hof heeft miskend dat art. 1:160 BW definitief een einde maakt aan de onderhoudsplicht en daarom restrictief dient te worden toegepast, terwijl strenge motiveringseisen gelden voor de rechterlijke beslissing om een beroep op art. 1:160 BW te honoreren.

De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 1:160 BW het enkele samenwonen met een ander niet voldoende is. Er dient sprake te zijn van een affectieve relatie tussen samenwoners van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Gezien het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de bepaling moet deze restrictief wordt uitgelegd, niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen.

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door enkel genoemde vaststellingen te gebruiken om het bewijsvermoeden dat voldaan is aan de eisen van art. 1:160 BW te onderbouwen. Het hof heeft slechts gekeken naar het feitelijk samen wonen en niet getoetst of ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en die ander.

Er volgt verwijzing naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling

Conclusie:
De man zal niet blij zijn maar een dergelijke uitslag viel wel te verwachten. De term ‘samenwonen als ware zij gehuwd’ als bedoeld in artikel 1:160 BW omvat meer dan het feitelijk samenwonen. Er moet een affectieve relatie van duurzame aard zijn tussen samenwoners die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hiermee wordt aangesloten bij de verplichtingen die tussen echtelieden bestaan ingevolge 1:81 BW; Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.

Deze uitleg door de Hoge Raad behoort ook tot de vaste jurisprudentie. Zij verwijst in dat verband onder meer naar HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603, NJ 2001/586 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961, NJ 2005/381.

Wat in de hele gang van zaken wel merkwaardig is, is dat de vrouw bij het hof kennelijk niet heeft gesproken over de relatie in de zin dat er geen affectieve relatie is met wederzijdse zorgplicht en dat dit door de man evenmin gesteld is. Beide partijen hadden zich een nodeloos lange procesgang kunnen besparen door aspect wel mee te nemen.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1246

Comments closed.