Vandaag duiken we andermaal in het internationale belastingverkeer met de zaak over de teruggaaf van dividendbelasting aan een Fins open-end beleggingsfonds. In nieuwsbrieven nrs. 10 en 11 van dit jaar is er al kort aandacht aan besteed. Ik besloot toen met de opmerking dat de Hoge Raad er waarschijnlijk aan te pas zou komen vanwege de grote financiële belangen voor de Staat. Dat bleek een correcte observatie te zijn. Nog geen drie dagen later werd in de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheid dat de uitspraak van het Hof kan leiden tot een aanzienlijk gat in de overheidsfinanciën. De staatssecretaris antwoordde dat er inderdaad een gat in de overheidsfinanciën kan ontstaan. De staatssecretaris was het evenmin eens met de vergelijking van het Finse beleggingsfonds en Nederlandse rechtspersonen die eveneens niet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting.

De cassatie is er gekomen en op 15 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

Open-end fondsen:
Voor degenen die niet zo bekend zijn met de financiële wereld is het handig om eerst even uit te leggen wat een open-end fonds precies is en wat ze te maken hebben met vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Wie dit niet interessant vind kan deze paragraaf overslaan en verdergaan bij het kopje: De feiten.

Zoals eerder vermeld is een fonds gewoonlijk een kapitaalvennootschap welke dient als knooppunt van het vermogen van beleggers. De totale som geld is het fondsvermogen en daarmee wordt belegd. Beleggers kopen aandelen in het fonds en beleggen daarmee indirect in de onderliggende bedrijven. Het fonds heeft inkomsten (bijvoorbeeld dividend) en kosten (bijvoorbeeld beheerskosten) en er zijn waardeschommelingen in de aangekochte aandelen. Positieve en negatieve resultaten worden vervolgens doorgegeven aan de belegger als koersschommelingen van het fonds en bij goede prestaties ook als dividend.

Een open end beleggingsfonds is een beleggingsfonds waarbij het aantal aandelen gedurende de looptijd van het fonds niet vast staat, dit in tegenstelling tot een closed-end beleggingfonds wat niet zomaar nieuwe aandelen uit kan geven. Technischer gesteld gaat het om een fonds waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de belegger ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Er is dus een doorlopende verplichting tot inkoop en uitgifte van deelnemingsrechten (vaak aandelen maar het kunnen ook andere deelnemingsrechten zijn). Deze verplichting kent een vast stramien.

De waarde van het deelnemingsrecht voor inkoop of uitgifte periodiek komt tot stand tegen de intrinsieke waarde van het fonds. Dit komt omdat er bij een open-end fonds precies zoveel aan waarde aan deelnemingsrechten wordt buigegeven als er nieuw geld in het fonds stroomt. De intrinsieke waarde is de theoretische waarde van een deelnemingsrecht welke bestaat uit het verschil tussen de de bezittingen en de vorderingen op korte en lange termijn. Het beoogde gevolg is externe invloed op de prijsvorming van de vraag en aanbod op dat moment te minimaliseren.

Zoals gezegd geldt voor fondsen vaak dat het kapitaalvennootschappen zijn en als zodanig zijn zij gewoonlijk in het land van vestiging onderworpen aan vennootschapsbelasting. Wel is er vaak een gunstig regime voor fondsen omdat een land er economisch belang bij heeft dat er tegen gunstige voorwaarden belegd kan worden. Alles wat niet aan de fiscus hoeft te worden betaald komt de waarde van het fonds ten goede, belastingen zijn immers een kostenpost voor het fonds. Over dividenden die het fonds ontvangt wordt vaak dividendbelasting ingehouden. Als hoofdregel is het mogelijk om dividendbelasting af te trekken van verschuldigde vennootschapsbelasting.

De feiten:
Belanghebbende is een in Finland gevestigd “open-end” beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Er is in Nederland dividendbelasting geheven over uitgekeerde dividenden. In Finland heeft belanghebbende deze dividendbelasting niet kunnen verrekenen omdat hij aldaar is vrijgesteld van belastingheffing naar de winst. Als het fonds in Nederland zou zijn gevestigd, zou het aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

Onder omstandigheden kunnen Nederlandse rechtspersonen die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting wel een deel van de ingehouden dividendbelasting terugvragen van de Belastingdienst op grond van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965. Dit is om economische dubbele belasting over de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap te voorkomen, voor zover deze winst bij wijze van dividend wordt uitgekeerd aan in Nederland gevestigde lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Lichamen die gevestigd zijn in andere lidstaten van de EU kunnen ook de dividendbelasting terugvragen als zij in hun eigen land niet onder een winstbelasting vallen en bij vestiging in Nederland ook zouden zijn vrijgesteld.

Het fonds verzocht de Nederlandse fiscus om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. De fiscus weigerde dit en het fonds ging in beroep. De vraag is of de ingehouden dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 56 EG, thans artikel 63 VWEU.

Bij het hof:
Het hof oordeelde dat de omstandigheden van het Finse fonds te vergelijken waren met de situaties waarvoor de teruggaafregeling is bedoeld. De fiscus moest teruggaaf verlenen, anders zou sprake zijn van strijd met artikel 56 EG.

Oordeel in cassatie:
De Hoge Raad stelt dat eerst moet worden beoordeeld of de situatie belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde vennootschap die onder het bereik van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 valt. Uit vaste jurisprudentie van het HvJEU volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een lidstaat bij belastingheffing vennootschappen uit een andere lidstaat discrimineert, in de regel niet van belang is hoe die baten door die andere lidstaat fiscaal worden behandeld. Een lidstaat heeft geen verplichting om bij belastingheffing (automatisch) een door een andere lidstaat aan een daar gevestigde vennootschap verleende fiscale faciliteit over te nemen.

De enkele omstandigheid dat het fonds in Finland is vrijgesteld van winstbelasting maakt nog niet dat het vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtspersoon die niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting. Indien het fonds in Nederland gevestigd zou zijn, zou het wel zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. Het behoort daardoor niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 bedoeld is. Hierin ligt geen discriminatie besloten.

De bepaling heeft als doel om zowel geen vennootschapsbelasting als ook geen dividendbelasting te doen drukken op dividenden voor bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Het doel van die bepaling strekt zich niet uit tot andere rechtspersonen.

Conclusie:
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie hoeven we in de regel niet te kijken naar hoe andere staten hun belastingheffing hebben geregeld noch hoeven we gelijke fiscale faciliteiten te bieden. Dat het fonds in Finland is vrijgesteld betekent niet dat je het één op één kunt vergelijken met een rechtspersoon die in Nederland is vrijgesteld. De regeling van artikel 10 lid 1 DB is bedoeld om er voor te zorgen dat als je in Nederland naar de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting, je niet over ontvangen dividenden alsnog dividendbelasting moet betalen. Als je bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting dan heb je immers niets om de dividendbelasting mee te verrekenen.

Het Finse fonds zou in Nederland gewoon onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting dus het heeft pech. De dividendbelasting blijft gewoon in de Nederlandse knip en de Tweede Kamer en staatssecretaris hebben vooralsnog weer één probleem minder. Het fonds kan hooguit nog in beroep gaan bij het HvJEU.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1128
Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9630

Comments closed.