Voor een rechtshandeling is een op een rechtsgevolg gerichte wil nodig die zich door een verklaring daartoe heeft geopenbaard. Een dergelijke verklaring kan in beginsel vormvrij zijn maar een verklaring die een wederpartij niet of niet tijdig heeft bereikt kan soms geen werking hebben ( art. 3:37 lid 3, tweede zin BW). Dat is veelal lastig waar het gaat om aanmaningen, want wat gebeurt er als de wederpartij zich er op beroept een aanmaning nooit ontvangen te hebben? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag en schept en passant duidelijkheid over de vraag op welk moment een verklaring nu moet worden geacht de geadresseerde te hebben bereikt.

De feiten:
Een stichting is eigenaar van een vastgoedportefeuille waarvan enkele panden zijn verkocht aan Centavos. Bij de koopovereenkomst is een aanvullende overeenkomst gesloten welke inhoudt dat de stichting gedurende twaalf maanden een recht van terugkoop heeft van al het verkochte. Vervolgens verhuurt Centavos een deel van de panden terug aan de stichting. In de huurovereenkomst is bepaald dat mededelingen aan huurder in verband met de uitvoering van de huurovereenkomst kunnen worden verricht aan het adres van het gehuurde.

Weer een anderhalf jaar later is nogmaals een aanvullende overeenkomst gesloten die betrekking heeft op de eerdere koop- en huurovereenkomsten. Daarin wordt onder meer het recht van terugkoop verlengd. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat bij het ontstaan van een huurachterstand Centavos met een tussenpoos van twee weken een aanmaning mag sturen en dat, indien Centavos op grond van het vorenstaande in totaal drie maal een aanmaning heeft moeten sturen, het terugkooprecht zal vervallen.

De stichting heeft vervolgens een huurachterstand laten ontstaan waarop Centavo driemaal een aanmaning stuurde naar het postbusadres van de stichting. Dit adres werd al vanaf het begin van het sluiten van de overeenkomsten gebruikt en stond ook op het briefpapier van de stichting gedrukt. Verschillende aangetekende brieven kwamen retour met de aantekening “niet afgehaald” of “postbus opgeheven”. Daarop stuurde Centavo aanmaningen naar de individuele adressen van de verhuurde panden.

De stichting voert aan dat van alle verzonden aanmaningen slechts eentje haar had bereikt. In de procedure bleek dat de postbus buiten haar schuld was geblokkeerd door TNT post. De stichting vorderde een verklaring voor recht dat het recht van terugkoop niet is vervallen, met veroordeling van Centavos om mee te werken aan het effectueren van het terugkooprecht.

Bij rechtbank en hof:
De rechtbank wees de vorderingen af omdat sprake is geweest van drie aanmaningen van Centavos en daarmee is de voorwaarde voor het vervallen van het terugkooprecht vervuld. Het hof oordeelde anders. Er is geen sprake geweest van drie aanmaningen die de stichting hebben bereikt, de vorderingen zijn daarom toewijsbaar. Het hof stelde daarbij dat Centavos gelegenheid heeft gekregen duidelijk te maken wat het formele adres of het uit het Handelsregister blijkende correspondentieadres van verweerster was, doch dat Centavos geen relevante informatie heeft verstrekt.

Oordeel van de Hoge Raad:
De Hoge Raad overweegt allereerst dat ten aanzien van een schriftelijke verklaring als uitgangspunt geldt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als de ontvangst van een verklaring wordt betwist, dient de verzender in beginsel feiten en/of omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit blijkt dat de verklaring is verzonden naar een adres waarvan de verzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen.

Vervolgens vult de Hoge Raad in wanneer een verzender redelijkerwijs mag aannemen dat een geadresseerde daar kan worden bereikt. Hiervan is sprake bij:

  • een woonplaats in de zin van artikel 1:10 BW;
  • zakelijk adres van de geadresseerde indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft;
  • een adres waarvan de verzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze daar ook kon worden bereikt.

Voor deze laatste categorie geeft de Hoge Raad als voorbeeld een postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.

De openliggende vraag is dan nog of de aanmaningen de stichting hebben bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW. De Hoge Raad overweegt dat de door het hof gestelde eis dat de postbus moet zijn aangewezen als adres waarop de stichting bereikbaar is, niet op de wet berust. Dit heeft tot gevolg dat de bestreden arresten niet in stand kunnen blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.

Conclusie:
Dit arrest is om meerdere redenen interessant. Het is, bij mijn weten, de eerste keer dat de Hoge Raad zich ondubbelzinnig uitlaat over de toepasselijkheid van de ontvangsttheorie bij art 3:37 BW.
In de literatuur worden voor de beantwoording van de vraag op welk moment een verklaring nu moet worden geacht de geadresseerde te hebben bereikt, drie verschillende theorieën onderscheidden. Het betreft de verzendtheorie, de ontvangsttheorie en de vernemingstheorie. De eerste stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op het moment van verzenden. De tweede stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op moment van ontvangst, ongeacht of de geadresseerde daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud. De derde theorie stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op het moment van ontvangst en er daadwerkelijk kennis van heeft genomen.

De Hoge Raad kiest nu ondubbelzinnig voor de ontvangsttheorie als uitgangspunt. Het uitgangspunt is dat de verklaring de wederpartij moet hebben bereikt om werking te hebben. De afzender moet daartoe feiten en/of omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen. De afzender moet doen blijken dat:

  1. de verklaring is verzonden
  2. dat het adres een adres is waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt en
  3. dat de verklaring is aangekomen

Het begrip bereiken wordt door de Hoge Raad dus objectief ingevuld. De Hoge Raad geeft een vrij compleet stappenplan van wat precies moet worden bewezen en vult ook meteen het ‘redelijkerwijs’-criterium in (de tweede van de hierboven genoemde punten) zodat dit geen open norm blijf.

In dit concrete geval mocht Centavos redelijkerwijs aannemen dat de stichting bereikbaar was via de postbus. De stonden op het briefpapier gedrukt en werden als sinds het begin gebruikt door de stichting. Dat de post vervolgens niet wordt gelezen en de postbus tijdelijk werd gesloten door TNT post, komt voor rekening van de stichting.

De grootste vraag die blijf openliggen is hoe toepasselijk deze uitspraak is in het kader van e-mail. De Hoge Raad lijkt dit wel te impliceren maar geeft er nog niet echt duidelijkheid over. De kans is echter niet onaanzienlijk dat we daar de in de nabije toekomst alsnog een zaak over zullen krijgen.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (NJ 2013, 391)

Comments closed.