Iedere jurist krijgt de fiscale definitie van het begrip onderneming er al in het eerste jaar stevig ingeheid. Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee door deelname aan het economisch verkeer wordt beoogd winst te behalen. Zodra aan één van deze drie vereisten niet langer wordt voldaan is er niet langer sprake van een onderneming in fiscale zin. Nu is er wel enige speelruimte, het is immers niet zo dat voor de fiscus niet langer een onderneming hebt als je onderneming een jaartje verlies draait. Gedurende een langere tijd structureel verlies draaien kan echter wel verlies van de ondernemingsstatus opleveren aldus het hof.

De feiten:
Belanghebbende in deze zaak is een keramiekmaker. Sinds hij zijn onderneming startte in 1998 heeft hij alleen maar verliezen geleden. Bij belanghebbende is in 2003 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangifte IB/PVV 2001. Belanghebbende geeft onder meer aan dat het moeilijk is binnen de keramiekwereld snel hoge winsten te genereren. Het heeft tijd nodig om naam te maken. Er is volgens hem zeker nog een redelijke verwachting dat er winst behaald zal worden. Op dat punt in tijd kon volgens de Inspecteur nog niet worden geconcludeerd dat winst uit onderneming niet langer een bron van inkomsten is. De Inspecteur waarschuwde wel dat bij een verliessituatie er op termijn geen bron meer is.

In 2007 is opnieuw een onderzoek ingesteld naar de onderneming van belanghebbende. Mede naar aanleiding van dit onderzoek en het voorgaande onderzoek oordeelde de Inspecteur dat hij de bron zal verwerpen ingaande 1 januari 2008 omdat de belangrijkste pijler voor de bron ontbreekt. Namelijk het voordeel dat beoogd wordt redelijkerwijs in de toekomst niet meer te verwachten is.

Belanghebbende heeft op 13 juni 2010 aangifte IB/PVV 2008 gedaan en claimt een ondernemingsverlies. De Inspecteur weigert dit. Belanghebbende is in beroep gegaan en de zaak dient nu voor het hof.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Het hof begint met de vaststelling dat het geschil draait om de vraag of er sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Om aan de criteria van het voeren van een onderneming te voldoen moet immers niet slechts worden beoogd voordeel te behalen maar dit voordeel moet ook redelijkerwijs te verwachten zijn. Een voordeel kan slechts (negatief) inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt.

De activiteiten van belanghebbende hebben nooit tot een positief resultaat hebben geleid omdat de kosten met betrekking tot de activiteiten altijd hoger zijn geweest. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken dat in 2008 wel redelijkerwijs kon worden verwacht dat de keramische activiteiten in de toekomst positieve opbrengsten zouden opleveren. Het Hof is derhalve van oordeel dat de keramische activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen.

Het hof verklaart het beroep van de man ongegrond.

Conclusie:
Belanghebbende heeft het gepresteerd om met zijn onderneming jaar in jaar uit telkenmale verlies te draaien omdat zijn kosten beduidend hoger waren dan zijn opbrengsten. Gedurende die tijd is belanghebbende er door de Inspecteur keer op keer op gewezen dat er bij een verliessituatie op termijn niet langer sprake is van een bron. Het hof overweegt op basis van de vaste jurisprudentie dat er slechts sprake kan zijn van inkomen als er sprake is van een bron. Nu de bron er niet meer is, is er ook geen inkomen meer. Er had dus voortschrijdend getoetst moeten worden door belanghebbende of er nog sprake is van objectief te verwachten voordeel en dus nog van een bron.

Bron:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: ECLI:NL:GHARL:2013:7743

Comments closed.