Op legallife is al vaker geschreven over fiscaal strafrecht en de ietwat merkwaardige eigenschap dat het door zowel bestuursrecht als ‘echt’ strafrecht heen wandelt. Deel van de problematiek is de uitwisseling van informatie verkregen uit een strafrechtelijk onderzoek van het O.M. richting fiscus of omgekeerd. Er zijn richtlijnen die regelen wat wel en wat niet uitgewisseld mag worden. Tegen deze achtergrond is de volgende zaak interessant.

De feiten:
Belanghebbende is dga van een B.V. en samen met een advocaat medeverdachte in een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD. De FIOD had een telefoon/fax tap laten plaatsen op de lijnen van deze advocaat. Onder de gegevens die FIOD in handen kreeg, bevond zicht een overeenkomst van dading. Deze werd doorgespeeld aan de Inspecteur. De Officier van Justitie heeft toestemming verleend om de betreffende gegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden ten aanzien van eiser.

Op basis van de overeenkomst stelde de Inspecteur dat de dga een voordeel van € 175000,- had genoten uit aanmerkelijk belang. Dit geld had de B.V. van de dga grotendeels overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening. De dga ging in beroep omdat hij van mening was dat de gegevens op onrechtmatige wijze waren verkregen. Het gaat er hier om dat de afgetapte lijn van een advocaat was en de overeenkomst van dading dus mogelijkerwijs onder de geheimhoudersstukken valt.

Oordeel en overweging van de rechtbank:
De rechtbank kijkt naar een overweging van het Hof in de strafzaak. Hieruit blijkt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad. De overeenkomst kon derhalve niet zijn verkregen uit geheimhoudersgesprekken. Het verschoningsrecht van de advocaat is dus niet geschonden. Ook anderszins is niet gebleken dat de overeenkomst van dading op strafrechtelijk onrechtmatige wijze is verkregen. Derhalve mag de overeenkomst worden gebruikt door de fiscus en is het beroep van belanghebbende ongegrond.

Conclusie:
Het vonnis is vrij lang en niet heel overzichtelijk. Het zal dan ook niet voor iedereen even gemakkelijk te lezen zijn. Het feitencomplex is hierboven zeer beknopt samengevat. De meest relevante rechtsoverwegingen welke handelen over de rechtmatigheid van het bewijs zijn te vinden in 4.13. t/m. 4.15.

Kortgezegd komt het er op neer dat de overeenkomst van dading niet uit geheimhoudersgesprekken afkomstig is. Dit wordt afgeleid uit een overweging van het Gerechtshof in de strafzaak. Het hof overweegt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad en de rechtbank ziet begrijpelijkerwijs geen reden om daarvan af te wijken. De overeenkomst is dus op rechtmatige wijze verkregen. Hoewel het vonnis er nauwelijks expliciet aandacht aan besteedt, kunnen we er van uitgaan dat de doorgifte van de overeenkomst van dading aan de Inspecteur op correcte wijze is geschied. We weten uit het vonnis slechts dat de Officier van Justitie toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de overeenkomst ten behoeve van belastingheffing van belanghebbende [r.o. 4.12.]

Al met al geeft dit vonnis een aardige blik over hoe de strafrechtketen en de bestuursrechtelijke rechtsketen samenwerken in het kader van fiscaal strafrecht en belastingheffing.

Bron:
Rechtbank Gelderland ECLI:NL:RBGEL:2013:3000

Comments closed.