Scheidingen komen geregeld voor in Nederland. Een deel van het scheidingsproces is het vaststellen van een eventuele alimentatie. Deze hangt af van de behoeftigheid van de ene partij en de draagkracht van de andere partij. Gewoonlijk wordt voor de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de alimentatie gebruik gemaakt van de hiervoor ontworpen Tremanormen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gooit het echter over een andere boeg, zij is bij de bepaling van de behoefte van een vrouw in een echtscheidingszaak uitgegaan van de privé-onttrekkingen uit de zaak.

De feiten:
Man en vrouw zijn sinds 23 april 2013 gescheiden. De vrouw heeft een verzoek tot alimentatie ingediend. In hoger beroep is nu in geschil de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man alsmede de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen.

Oordeel en overwegingen van de rechtbank:

Behoefte van de vrouw:
Voor de vaststelling van de behoefte is de welstand tijdens het huwelijk medepalend, tezamen met alle relevante omstandigheden, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk.

Voor de bepaling van de welstand is niet alleen van belang hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar ook welk bedrag zij daadwerkelijk spendeerden. Het hof gaat voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw uit van de privé onttrekkingen zoals deze blijken uit de jaarstukken van de eenmanszaak omdat het deze onttrekkingen zijn waar partijen van hebben geleefd.

Gezien de sterk fluctuerende resultaten van het akkerbouwbedrijf en de verklaring van de vrouw ter zitting van het hof dat partijen het ene jaar meer te besteden hadden dan het andere, ziet het hof aanleiding om uit te gaan van het gemiddelde resultaat over de afgelopen vijf boekjaren van de onderneming. Na het vaststellen van het gemiddelde resultaat en het toerekenen van diverse bedragen aan de verschillende leden van het gezin, stelt het hof de behoefte van de vrouw op € 3000,– bruto per maand.

Draagkracht van de man:
Ook voor de vaststelling van de draagkracht van de man gaat het hof niet uit de van de Tremanormen. Hiertoe wordt overwogen dat berekening van de draagkracht volgens de Tremanormen, in het geval van een agrarische onderneming zoals die van de man in feite geen realistisch beeld oplevert. Agrarische ondernemingen kenmerken zich immers door een hoge intrinsieke waarde maar een vaak (relatief) laag rendement, terwijl de ondernemer in redelijke welstand kan leven. Het hof acht het dan ook in dit geval opportuun om op andere wijze dan met behulp van de Tremanormen de draagkracht van de man vast te stellen.

Het hof bekijkt voor de vaststelling van de draagkracht van de man andermaal de jaarstukken. Alle gegevens en omstandigheden in aanmerking nemende, constateert het hof dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt en kan beschikken om een substantiële bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dat dit gedeeltelijk voortkomt uit vermogen en niet slechts uit inkomsten doet niet ter zake. De man heeft voldoende draagkracht om aan de behoefte van de vrouw te kunnen voldoen.

Oordeel:
Het hof oordeelt dat de man de gehele behoefte van de van de vrouw kan dragen. Dienovereenkomstig veroordeelt zij de man tot het betalen van €3000,- per maand.

Conclusie:
Gewoonlijk maakt de rechter voor het vaststellen van alimentatie gebruik van de Tremanormen. De concrete feiten en omstandigheden van een geval kunnen echter aanleiding geven om hiervan af te wijken. In deze zaak is er sprake van een agrarisch bedrijf waaruit onttrekkingen worden gedaan om in het levensonderhoud te voorzien, reden om af te wijken. Redenen daarvoor kunnen worden gevonden in het feit dat een agrarisch bedrijf sterk fluctuerende inkomsten kan kennen alsmede dat er vaak sprake is van hoge intrinsieke waarde maar (relatief) laag rendement. Een berekening volgens de Tremanormen zou een vertekend beeld geven van werkelijkheid.

Bron:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2013:6987

Comments closed.