Het uitgangspunt van de zorgrelatie tussen een medisch hulpverlener en diens patiënt, is ex art. 7:454 BW dat geen mededelingen omtrent patiënt aan derden worden gedaan. De ratio van deze geheimhoudingsplicht is het verzekeren van een vrije toegang tot de gezondheidszorg en waarborging van de privacy van de patiënt. Slechts in een enkel geval kan de geheimhoudingsplicht worden doorbroken.

De feiten:
Op 25 maart 2011 is te Amsterdam de erflater overleden. Hij heeft bij testament van 10 oktober 2006 beschikt over zijn nalatenschap. Tot enige en algehele erfgenamen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd de Symforagroep en Het Schouw, deel uitmakende van de Stichting Fontis. Amstelring is de rechtsopvolger van de Stichting Fontis.

Nu vordert de halfzus van de erflater, in het vonnis aangeduid als A, vernietiging van het testament omdat Amstelring als verzorgende instelling volgens de wet geen voordeel mag trekken uit het testament. Volgens A was erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet in staat zijn wil te bepalen. Zodoende vordert A dat een onafhankelijke deskundige het zorgdossier zal mogen bekijken om vast te stellen of erflater inderdaad niet compos mentis was. Het zorgdossier resideert onder Amstelring waar erflater onder behandeling was.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:34 lid 1 BW bepaalt dat, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets verklaart, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken. Lid 2 maakt een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, zoals een testament, nietig.

De benoeming van een deskundige om het dossier te beoordelen, heeft tot gevolg dat inzage dient te worden gegeven in de medische gegevens van erflater. Op praktische gronden kan erflater zelf die toestemming niet langer geven. Uitgangspunt is dat een hulpverlener over de gegevens omtrent de patiënt waarover hij beschikt, geen mededelingen aan derden mag doen. De ratio achter de geheimhoudingsplicht – enerzijds de vrije toegang tot de gezondheidszorg en anderzijds de waarborging van de privacy van de patiënt – blijft ook na overlijden bestaan.

Onder heersende rechtspraak (Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600) is een inbreuk op de geheimhoudingsplicht mogelijk indien indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Er bestaan zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament;
  2. aannemelijk is gemaakt dat de overledene, ware hij nog in leven geweest, toestemming gegeven zou hebben
  3. deze wijze van gegevensopenbaring is de enige effectieve mogelijkheid om de gewenste opheldering te verschaffen.

Hoewel erflater leed aan depressiviteit, epilepsie, verwardheid en oriëntatiestoornissen, hadden deze klachten volgens de rechtbank niet de omvang van een zodanige stoornis van de geestvermogens dat erflater zijn wil niet meer kon bepalen bij het opmaken van het testament. Evenmin is gebleken dat E leed aan deze klachten op het tijdstip dat het testament opgesteld werd. Het afgeven van zorgindicatie 2 alsmede een onderbewindstelling van erflater zijn pas op een later tijdstip geschied.

Alle omstandigheden bij elkaar bezien moet leiden tot de conclusie dat er onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen zijn dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament er niet toe in staat was zijn wil te bepalen en dat op grond van die aanwijzingen de geheimhoudingsplicht van Amstelring opzij gezet dient te worden. De rechtbank zal dan ook geen deskundige benoemen. Nu zonder een deskundige geen oordeel kan worden gevormd over de geestesgesteldheid van erflater, zijn er ook geen gronden voor nietigheid van het testament onder artikel 3:34 BW.

Ook de stelling dat Amstelring geen voordeel uit het testament mag genieten omdat zij een zorginstelling is (4:59 lid 2 BW) gaat niet op nu het testament werd opgesteld toen erflater niet in een instelling verbleef. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 4:59 lid 2 BW alleen dan geldt ten tijde van het verblijf van betrokkene in de instelling. Op het moment dat een persoon niet in een instelling verblijft, is er immers ook geen gevaar voor beïnvloeding van een erflater in spe vanuit die instelling. Bepalend is derhalve de locatie waar een erflater verblijft ten tijde van het opstellen van het testament.

Conclusie:
Het is in dit geval niet mogelijk om de geheimhoudingsplicht die zorginstelling heeft te doorbreken. De omstandigheden in overweging nemende zijn er onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten zoals geformuleerd in Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600. In het verlengde daarvan wordt er geen deskundige benoemd. Dat houdt in dat wilsonbekwaamheid van erflater niet kan worden vastgesteld en er geen grond is voor aantasting van het testament door artikel 3:34 BW.

Bron:
Rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5828 NJF 2013/189 (MvM)

Comments closed.