Notarissen hebben, net zoals advocaten, een verschoningsrecht. Dit recht hangt nauw samen met de geheimhoudingsplicht welke beide ambtsbeoefenaren hebben. Het verschoningsrecht alsmede de geheimhoudingsplicht zijn rechtshistorisch van groot belang en omkleed met tal van wettelijke en jurisprudentiële waarborgen. Dit betekent dat derden zoals de politie die dingen willen weten, voorzichtig moeten treden. Als zij dat niet doen dan kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn zoals de Hoge Raad duidelijk maakt in onderhavig arrest waar bij een notaris dossiers in beslag werden genomen door de rechter-commissaris.

De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht:
De geheimhoudingsplicht is er om de belangen van cliënten te beschermen. Eenieder moet vrij zijn om alles openlijk te kunnen bespreken zonder angst dat alles wat je vertelt op straat komt te liggen. Zo zal je bijvoorbeeld in een scheidingszaak niet willen dat je ex alles te horen krijgt wat je met je advocaat bespreekt of dat de gehele wereld via de notaris te horen krijgt hoe de erfenis van je pa verdeeld wordt.

Voor wat het notariaat betreft is in artikel 3 lid 2 jo. artikel 22 Wna is de geheimhoudingsplicht geregeld. In artikel 22 lid 1 Wna staat het volgende: ‘de notaris is, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht.’

Het verschoningsrecht ligt in het verlengde van deze geheimhoudingsplicht. Het verschoningsrecht behelst het recht van de notaris om zich ten overstaan van de rechter te onthouden van het doen van een getuigenis. Het recht is een uitzondering op de regel dat op een ieder de verplichting rust om een getuigenis af te leggen.

De reikwijdte van de geheimhoudingsplicht is immens groot, de gehele inhoud van een akte valt er onder. Het is immers vaak praktisch niet goed mogelijk om een onderscheid aan te brengen welke zaken geheim zijn, en welke niet. Denk bijvoorbeeld aan de vele rechtsgebieden die bijeen komen bij de relatief eenvoudige overdracht van een onroerende zaak. Er is een deel verbintenisrecht (de koop), een deel zakenrecht (de levering), en een deel fiscaal recht (omzetbelasting en/of overdrachtsbelasting). De Hoge Raad volgt deze redeneertrant in het standaardarrest aangaande geheimhouding Ogam- Notaris Maas.

Voorop moet worden gesteld dat het hof, blijkens zijn derde r.o., kennelijk ervan is uitgegaan dat het verschoningsrecht van de notaris zich alleen uitstrekt tot datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig, dat wil zeggen als notaris, is toevertrouwd en dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, ook als hem toevertrouwd heeft te gelden. Dit uitgangspunt is, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, juist.

Kortgezegd is de kern dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, onder het ambtsgeheim valt.

Deze geheimhoudingsplicht en het er uit voortvloeiende verschoningsrecht is af en toe justitie alsook de maatschappij een doorn in het oog. Ten eerste kan het zijn dat criminelen gebruik maken van bijvoorbeeld vastgoedtransacties om geld wit te wassen. Men probeert dat tegen te gaan wetgeving als de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme welke verplichtingen oplegt ter identificatie van cliënten en een meldplicht voor ongebruikelijke transacties.

Het OM wil echter af en toe ook graag in de dossiers van een notaris kijken en dat kan niet zomaar vanwege het verschoningsrecht. Veel discussie over de reikwijdte van het verschoningsrecht in een concreet geval is niet mogelijk. De Hoge Raad heeft hierover bepaald bij zijn arrest van 18 december 1998:

Aangezien slechts de notaris precies kan beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen, moet dit oordeel in beginsel aan de notaris worden overgelaten. De rechter dient derhalve het beroep van de notaris op diens verschoningsrecht te aanvaarden zolang hij aan redelijke twijfel onderhevig acht of verstrekking van de gevraagde gegevens zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven (vgl. r.o. 3.5 van voormelde beschikking van 1 maart 1985, alsmede HR 22 november 1991, nr. 14367, NJ 1992, 315 r.o. 3.3, HR 25 september 1992, nr. 14652, NJ 1993,467, r.o. 3.2, voorlaatste alinea, en HR 11 maart 1994, nr. 8355, NJ 1995, 3, r.o. 3.5, laatste alinea).

Zoals de reeks verwijzingen onderaan dit citaat doet vermoeden, is deze lijn van de Hoge Raad consequent. Het betekent ook dat een rechter-commissaris bij een huiszoeking uitermate omzichtig te werk zal moeten gaan. Bij een huiszoeking is overigens ook altijd de ringvoorzitter van de notaris, dan wel diens plaatsvervanger aanwezig om een goede procesvoering te waarborgen. Het kan immers zijn dat betrokken notaris enigszins van slag is als de politie zijn archief binnenstebuiten komt keren.

De feiten:
In onderhavige zaak onderhield de betrokken notaris volgens justitie zakelijke banden met personen die in het verleden voor misdrijven zijn veroordeeld, of waartegen een strafrechtelijk onderzoek liep. De notaris zou witwasmogelijkheden aan die personen aanbieden. Vervolgens werden in mei 2010 66 dossiers in beslag genomen. Volgens de betrokken rechter-commissaris een vijftien(!) verhuisdozen vol. Overigens is de notaris geen verdachte in het onderzoek.

De notaris stelt zich nu bij de Hoge Raad op het standpunt dat de inbeslagname onrechtmatig is, omdat de rechter-commissaris niet de bevoegdheid had. De klaagster heeft zich ten aanzien van die dossiers op haar verschoningsrecht beroepen en de rechter-commissaris had dit moeten respecteren. Dit is alleen anders wanneer er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klaagster onjuist is, maar daar is hier geen sprake van.

Volgens de rechter-commissaris was het ter plaatse beoordelen van de dossiers op de aanwezigheid van geheimhouderstukken niet haalbaar op praktische gronden. Daarop besloot de rechter-commissaris simpelweg alles in beslag te nemen. De beoordeling van de aanwezigheid van geheimhouderstukken zou later plaatsvinden. Er was daarbij ook een conflict over de vraag of justitie eerst een voorselectie zou mogen maken, of dat de ringvoorzitter als eerste over de geheimhouderstukken zou oordelen.

Oordeel van de Hoge Raad:
Volgens de Hoge Raad is het uitgangspunt dat eerst de notaris zich uit kan laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders wanneer in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, deze worden verzegeld en meegenomen naar het kabinet van de Rechter-Commissaris.[r.o. 3.4.]

De enkele suggestie dat de stukken die “deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die verdachte wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend” alsook dat die stukken nimmer object van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht zijn, wordt door de Hoge Raad naar de prullenbak verwezen. Het oordeel is niet begrijpelijk nu nadere motivering ontbreekt aangezien de aan het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de inhoud van de dossiers niet vermeldt en evenmin een aanduiding bevat van de aard van de zich daarin bevindende stukken.[r.o. 3.5]

Tot slot doet de Hoge Raad het standpunt van justitie, dat een oordeel vooraf van de verschoningsgerechtigde over geheimhouderstukken helemaal niet nodig is, eveneens richting prullenmand verdwijnen. Voor zover het eerdere oordeel van de rechtbank behelst dat indien (reeds) op grond van de uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking blijkende omstandigheden kan worden geoordeeld dat die stukken niet onder het verschoningsrecht vallen, het standpunt van de verschoningsgerechtigde daaromtrent niet behoeft te worden ingewonnen, is het onjuist.

Conclusie:
De Hoge Raad maakt hier eens te meer duidelijk hoe veelomvattend de geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht zijn. De rechter-commissaris is in dit geval iets te enthousiast te werk gegaan.

Deze zaak demonstreert ook hoe de taken van justitie en geheimhouders botsen alsmede de belangen die een rol spelen. Enerzijds is er justitie en sterker wordende maatschappelijke mening dat een enkele verdenking voldoende is voor een doorzoeking. Aan de andere kant is er het recht op privacy van cliënten van notarissen en advocaten wat in het geding kan komen indien zomaar willekeurig stukken kunnen worden opgevraagd door justitie. Dit raakt immers vaak ook anderen dan de daadwerkelijke verdachte van een misdrijf.

Dit soort zaken speelt al tijden maar de Hoge Raad heeft zonder meer duidelijk aangegeven hoe zij de geheimhoudingsplicht ziet. Indien deze afgezwakt moet worden dan is een wetswijziging de geëigende weg om te bewandelen. Of daarbij dan de belangenafweging van partijen nog correct genoemd kan worden, is een tweede probleem.

Bron:
ECLI:NL:HR:2013:CA0434, Hoge Raad
ECLI:NL:RBROT:2012:BV3772, Rechtbank Rotterdam

Comments closed.