1 januari 2003 is een belangrijke datum in de notariële rechtspraktijk. Op die datum werd het vernieuwde boek 4 BW aangaande erfrecht ingevoerd. Er zijn tal van substantiële veranderingen ingevoerd waaronder wat je precies in een codicil kon opnemen. Voor 1 januari 2003 waren de regels daarvoor veel ruimer. Als er dan vervolgens na 1 januari 2003 een codicil wordt gemaakt wat niet aan de vereisten voldoet, dan kun je tegen problemen aanlopen.

Codicil:
Onder het huidige recht (art. 4:97 BW) is een codicil een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen waarmee zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt aangaande:

  • kleren
  • lijfstoebehoren
  • bepaalde lijfsieraden
  • bepaalde tot de inboedel behorende zaken
  • bepaalde boeken.

Bepaalde moet in deze context overigens worden gelezen als ‘nader omschreven.’ Het voordeel van een codicil is dat het maken laagdrempelig is, er komt immers geen notaris aan te pas om een codicil te maken. Een probleem is echter wel de relatief grote fraudegevoeligheid van codicils, dit is één van de belangrijkste redenen dat de mogelijkheden om een codicil te gebruiken zeer beperkt zijn.

Er kan dus tegenwoordig niet veel in een codicil worden geregeld. Wie meer wil regelen dan binnen het codicil mogelijk is, zal moeten uitwijken naar een testament hetgeen in de wetsterminologie een uiterste wilsbeschikking heet. Eén van de dingen die slechts bij uiterste wilsbeschikking geregeld kunnen worden, is het aanwijzen van een een executeur (art. 4:142 BW). Dat is waar het om draait in deze zaak.

De feiten:
In onderhavige zaak gaat het om een klacht tegen een notaris over de inhoud van de verklaring van erfrecht. Het stuk wat door erflater is opgesteld en waarop klager zich beroept dateert van 2006 en is getypt. In dit stuk werd een executeur aangewezen. Erflater had ook een testament laten opstellen, daarin werd echter geen executeur aangewezen.

De verklaring van erfrecht vermelde derhalve: “In dit testament heeft de overledene geen executeur benoemd. De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.”

Na wat discussie over en weer volgt een klacht tegen de notaris en diens protocolopvolger. Klager stelt dat de hiervoor weergegeven passage van de verklaring van erfrecht onjuist is, aangezien erflater in februari 2006 de tekst heeft getypt en ondertekend.

Overwegingen en oordeel:
Vóór 1 januari 2003 kon bij codicil een executeur-testamentair worden aangewezen (artikel 982 van het oude Burgerlijk Wetboek). Op grond van het nu geldende recht kan bij codicil geen executeur meer benoemd worden. Dit dient bij uiterste wilsbeschikking te geschieden. Het stuk waarop klager zich beroept dateert van na 1 januari 2003 en is niet handgeschreven. In de onderhavige verklaring van erfrecht is dan ook terecht opgenomen dat er geen sprake is van een codicil.[r.o. 5.2.]

Dit is in onderlinge correspondentie uitvoerig uiteen gezet. De enkele omstandigheid dat dit gegeven ook op een andere manier in de akte had kunnen worden verwoord, kan niet leiden tot de conclusie dat de notaris klachtwaardig heeft gehandeld. Daarbij is in de overweging genomen dat een dergelijke manier van verwoording niet ongebruikelijk is. [r.o. 5.3.]

Bovendien heeft de eerste notaris om klager tegemoet te komen nog aangeboden om de verklaring van erfrecht aan te passen, door onder de door klager gewraakte passage één zin toe te voegen. Dit aanbod is al gedaan ruimschoots voordat de klacht werd ingediend maar klager is daar nooit op ingegaan.[r.o. 5.4.]

Conclusie:
Deze zaak gaat in de kern om juridisch taalgebruik wat verkeerd begrepen is. Het is niet onbegrijpelijk dat klager, gezien de formulering van de zinssnede, denkt dat de notaris voorbij gaat aan het stuk dat door erflater is opgesteld in 2006. Klager lijkt in de veronderstelling te verkeren dat het stuk een codicil is maar daar kan zowel onder het oude BW als onder thans geldig recht geen sprake van zijn.

Er is derhalve geen sprake van een rechtsgeldige aanwijzing van een executeur in de zin van de wet. Een dergelijke suggestie moet in de verklaring van erfrecht zorgvuldig worden vermeden. Dit gezien de bevoegdheden die een executeur kan hebben, waarbij juridisch, met name bij de afwikkeling van de nalatenschap de erfgenamen niet zelfstandig kunnen handelen met betrekking tot de af te wikkelen nalatenschap. De wet bepaalt dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Het frappante is dat uit de correspondentie blijkt dat er kennelijk niets aan in de weg staat om feitelijk te handelen zoals er in het stuk van erflater vermeld staat. De correspondentie richting klager is, mijns inziens, ook niet bijzonder moeilijk leesbaar of technisch van aard. Klager heeft dan ook terecht bakzeil gehaald bij zowel de Kamer als bij het hof dat het vonnis van de Kamer bekrachtigt.

Bron:
ECLI:NL:GHAMS:2013:1905, Hof Amsterdam

Comments closed.