Wel eens van een Guan Yuan gehoord? Geeft niks, ik moest ook eventjes googlen om te kijken wat het precies is. Een Guan Yuan is een zeldzame, zeer waardevolle Chinese pot. Dat soort dingen zijn best leuk om te erven, maar zoals je weet moet er over een erfenis erfbelasting worden betaald. Maar wat nou als blijkt dat je die zeldzame Chinese pot even later kan verpatsen voor een aanzienlijk hoger bedrag dan waarvoor hij in de aangifte was opgenomen? Hierover gaat onderhavige zaak waarin AG IJzerman een lezenswaardige conclusie presenteert.

De feiten:
Tot de nalatenschap van erflater behoorde een zeldzame Chinese pot. Bij de aangifte successierecht op 31 juli 2004 werd de pot gewaardeerd op € 12500,- De aangegeven waarde is bij het vaststellen van de aanslag gevolgd. Erfgenamen hebben zich vervolgens gezamenlijk gewend tot het veilinghuis Christie’s om de pot te verkopen. Dat heeft op 1 december 2004 aan de Chinese pot een geschatte waarde toegekend van € 80.000 tot € 100.000 en op 17 december 2004 van € 300.000 tot € 400.000. De pot oversteeg echter alle verwachtingen en werd verkocht voor € 23 miljoen.

Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag successierecht op. In geschil is nu voor welke waarde de pot belast is voor de erfbelasting. Hof Den Haag oordeelde dat bij de waardebepaling van de pot op overlijdensdatum de tot uitgangspunt kan worden genomen. In verband met de gestegen marktprijzen voor dergelijk klassiek Chinees keramiek in de periode tussen de overlijdensdatum en veilingdatum, wordt de waarde op overlijdensdatum door het hof geschat op € 10 miljoen.

Conclusie AG:
De AG volgt dezelfde lijn die het hof ook hanteerde. De waarde in het economische verkeer op het waarderingstijdstip moet worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment bestaande en voorzienbare waardebepalende feiten en omstandigheden, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden die daar een licht op kunnen werpen. Daarbij doet het er niet toe of die feiten of omstandigheden pas bekend zijn geworden na het waarderingstijdstip. Daaraan kan niet afdoen dat die prijs voordien door deskundigen niet werd voorzien.

De erfgenamen stellen dat het Hof gehouden was de overgelegde deskundigenrapporten mede ten grondslag te leggen aan zijn waardering. Deze waarderingen lagen aanzienlijk lager, tussen de € 300000,- en € 400000,-, dan de waarde die het hof vaststelde. De AG merkt te dien aanzien op dat in het belastingrecht de zogenoemde ‘vrije bewijsleer’ geldt. Dit houdt in dat de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is overgelaten. Het is vaste jurisprudentie dat de waardering van de bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden. De rechter mag zelfstandig conclusies trekken uit de vaststaande feiten. Naar de mening van de AG brengt dit niet met zich mee dat de rechter gehouden is deskundigenrapporten te volgen. Doordat de pot daadwerkelijk werd verkocht, wordt het mogelijk om voor een waardebepaling bij de gerealiseerde verkoopprijs aansluiting te zoeken.

De AG concludeert dat genoemde middelen zijns inziens niet tot cassatie kunnen leiden.

Conclusie:
Deze conclusie van de AG heeft ook het NTFR gehaald (Conclusie A-G IJzerman 27 maart 2013, 12/02319, NTFR 2013/1050). Daar merkt Vrenegoor twee dingen op:

  1. De Hoge Raad heeft al eerder beslist dat een kort na sterfdatum gerealiseerde verkoopprijs moet worden gezien als de waarde ten tijde van overlijden (HR 31 juli 2001, nr. 36.164, NTFR 2001/1040).
  2. Bij waardevaststelling op de overlijdensdatum mag in beginsel ook rekening mag worden gehouden met na de sterfdatum gebleken feiten en omstandigheden die een licht werpen op de waarde ten tijde van de sterfdatum (HR 14 juli 2000, nr. 35.059, NTFR 2000/1055)

Deze uitspraken van de Hoge Raad kunnen het standpunt van de AG met name ten aanzien van de invulling van de vrije bewijsleer steunen. Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze zaak te buigen en een uitspraak te doen. Al met al acht ik de kans groot dat, gezien de eerdere uitspraken van de Hoge Raad, de conclusie van de AG gevolgd zal worden.

Bron:
ECLI:NL:PHR:2013:BZ8588,(Conclusie A-G IJzerman 27 maart 2013, 12/02319, NTFR 2013/1050)
ECLI:NL:HR:2001:AB2597, Hoge Raad (HR 31 juli 2001, nr. 36.164, NTFR 2001/1040)
HR 14 juli 2000, nr. 35.059, NTFR 2000/1055 (helaas niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)

Comments closed.