Afgelopen vrijdag stonden de kranten al vol van de uitspraak die de Hoge Raad in de zaak Aegon tegen stichting Koersplandewegkwijt. De Hoge Raad heeft het beroep tegen de uitspraak van het Gerechtshof verworpen. Dit is goed nieuws voor alle gedupeerden die zijn aangesloten bij de stichting maar betekent niet automatisch goed nieuws voor andere gedupeerden. In het kader van de (voorlopige) afronding van gerechtelijke trajecten doen we een uitgebreide nabeschouwing aan de hand van het vonnis van de Hoge Raad en blikken we kort vooruit naar de toekomst.

Koersplan:
De zaak draait om het zogenaamde Koersplanproduct. Deze polissen werden in de jaren 1989–1998 met Spaarbeleg gesloten. Inmiddels is dit deel van het Aegon concern. Deze overeenkomsten behelsden een periodieke inleg die grotendeels werd aangewend om daarmee te beleggen. Na afloop van de looptijd van de polis zou Aegon een bedrag uitkeren aan de belegger of, in geval van voortijdig overlijden, aan zijn erfgenamen. Voor het voortijdig overlijden bevatten de polissen een overlijdensrisicoverzekering. De premie voor die verzekering en vaste kosten werden van de inleg ingehouden. Een dergelijke constructie is een vorm van een spaarkasovereenkomst.

Bij het hof:
Het hof heeft als kernvragen onderscheiden [rov. 4.5.]:

  • Kan in de contractsdocumentatie van het KoersPlan een contractuele grondslag gevonden worden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie op de inleg en zo ja, bestond tussen Spaarbeleg en de deelnemers aan het KoersPlan wilsovereenstemming bestond over de hoogte van de premie
  • was de door Aegon verstrekte informatie op dit punt misleidend was in de zin van art. 6:194 (oud) BW

Het hof concludeerde dat de in de jaren 1989 – 1998 afgesloten KoersPlanovereenkomsten een contractuele grondslag bieden voor het inhouden van een overlijdensrisicopremie [rov. 4.10. t/m 4.18.]. De hoogte van die premie was echter niet in de contractsdocumentatie opgenomen en evenmin voor de deelnemers voldoende bepaalbaar. Hierdoor kan niet worden aangenomen dat die deelnemers met de door Aegon gehanteerde hoogte van de premie hebben ingestemd. De hoogte van de overlijdensrisicopremie, die eenzijdig door Aegon is bepaald, is dus niet met de deelnemers overeengekomen [rov. 4.19. t/m 4.25.]

In het verlengde daarvan onderzocht het hof hoe die leemte in de overeenkomsten – het ontbreken van wilsovereenstemming over de hoogte van de premie – moet worden ingevuld. Het heeft zich daarbij achter het oordeel van de rechtbank geschaard dat die leemte in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 6:248 BW dient te worden ingevuld door het bepalen van een redelijke premie en heeft de grieven die gericht waren tegen de bepaling van de hoogte van de redelijke premie verworpen [rov. 4.27. t/m 4.42.]. Invulling van die leemte in de overeenkomst geschiedde door bepaling van een redelijke premie, met als uitgangspunt een Aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening.

Ten aanzien van de tweede vraag – of Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding – heeft het hof geconstateerd dat de door Aegon verstrekte informatie op een drietal punten onvolledig en onjuist was. Deze informatie, gelezen in de context van de brochure en de overige contractsdocumentatie, was van materieel belang voor de beleggingsbeslissing van de maatmanbelegger en dus van voldoende belang om die maatmanbelegger te kunnen misleiden [rov. 4.43 t/m 4.52.]. Het hof heeft de vorderingen van de Stichting c.s. grotendeels toegewezen.

Bij de Hoge Raad:

Wilsovereenstemming en leemte:
Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel dat partijen geen wilsovereenstemming hebben bereikt over de hoogte van de overlijdensrisicopremie en dat de KoersPlanovereenkomsten in zoverre een leemte vertonen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat alle rechten en verplichtingen van partijen op basis van de contractsdocumentatie exact en objectief kunnen worden neergelegd. [rov. 3.4.1.]

De Hoge Raad stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat zij overeenkomsten hebben gesloten. In dat geval komt de vraag of die overeenkomst een leemte vertoont erop neer of ter zake van een onderdeel van die overeenkomst geen wilsovereenstemming bestaat. Voor beantwoording van die vraag dient het Haviltex-criterium te worden gehanteerd. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.[rov. 3.4.2.]

De overwegingen van het Hof getuigen niet van miskenning van de Haviltex-maatstaf en zijn niet onduidelijk gemotiveerd. Het hof heeft het bestaan van een leemte onder meer gebaseerd op het feit dat de overlijdensrisicopremie een wezenlijk onderdeel is van de KoersPlanovereenkomsten. De premie is in het algemeen een wezenlijk element is van de verzekering (art. 7:925 BW) en in de KoersPlanovereenkomsten is de hoogte van de premie bepalend is voor de hoogte van de spaarstorting en daarmee voor het te verwachten beleggingsrendement. Naarmate de spaarstorting lager is dan de deelnemer op grond van de contractsdocumentatie mocht verwachten, moet het beleggingsrendement van de spaarkas hoger zijn om het voorgespiegelde eindkapitaal te halen. Bij een gelijkblijvend rendement haalt een deelnemer met een hoge overlijdensrisicopremie dus een lagere opbrengst dan waarop hij kon rekenen, uitgaande van een lage of gemiddelde hoogte van de premie.[rov. 3.4.3.]

Verjaring en 6:248 BW:
De volgende klacht is dat het hof heeft miskend dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van art. 6:248 BW van rechtswege werkt, zodat de hoogte van de premie niet door de rechterlijke uitspraak wordt teweeggebracht. Aangezien een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis op de voet van art. 3:307 BW verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, verjaart die rechtsvordering telkens vijf jaren na de betaling van de inleg door de deelnemer.[rov. 3.5.1.]

De Hoge Raad stelt vast dat als de rechter ingevolge art. 6:248 lid 1 BW bepaalde rechtsgevolgen verbindt aan een overeenkomst op grond van de redelijkheid en de billijkheid, hij een bestaande rechtsverhouding vaststelt (Parl. gesch. Boek 6, blz. 974). Bij invulling van een leemte in de overeenkomst door de rechter ontstaat dus niet een “nieuwe rechtstoestand” zoals het Hof in rov. 4.40 aannam. De klacht is dus wel gegrond, maar kan niet tot cassatie leiden.[rov. 3.5.2.]

De gevorderde verklaringen voor recht hebben geen betrekking op vorderingen tot nakoming van een “verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen” in de zin van art. 3:307 BW. Van verjaring op grond daarvan is dus geen sprake. Voor zover de vorderingen voor het overige wel gericht zijn op een veroordeling tot nakoming van de overeenkomsten, zien zij klaarblijkelijk op het doen van de verschuldigde uitkeringen aan het einde van de looptijd van de overeenkomsten, welke uitkeringen pas op dat moment opeisbaar worden. In de feitelijke instanties heeft Aegon niet aangevoerd dat, daarvan uitgaande, sprake is van verjaring ingevolge art. 3:307 BW.[rov. 3.5.3.]

Invulling van de redelijke premie:
De laatste noemenswaardige klacht ziet op de invulling van de leemte in de overeenkomst waarbij het hof zijn oordeel baseerde op een aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening. Het onderdeel bestrijdt deze overwegingen met een reeks klachten.

Deze klachten missen doel voor zover deze zijn gericht tegen de interpretatie van het hof heeft van de Aanbeveling, en de rol die het hof in dat verband heeft toegekend aan de zogenoemde stichtingsakkoorden. Het hof heeft hetgeen partijen te dien aanzien hebben gesteld en met producties onderbouwd, op gemotiveerde en begrijpelijke wijze gewogen. Deze weging is van feitelijke aard en kan derhalve niet in cassatie worden getoetst.

De klachten falen eveneens voor zover zij zijn gericht tegen de wijze waarop het hof de overlijdensrisicopremie heeft herberekend. Het hof heeft overwogen dat de aanbeveling van de Ombudsman als uitgangspunt moet worden genomen bij de herberekening van de overlijdensrisicopremie. Partijen hebben geen grieven hebben gericht tegen het desbetreffende op de instemming van partijen gebaseerde oordeel van de rechtbank. In cassatie is dit evenmin bestreden.[rov. 3.6.1 & 3.6.2.]

Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat Aegon in hoger beroep de herberekening en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde stellingen van de Stichting c.s. onvoldoende heeft bestreden. Aegon had volgens het hof haar betwisting van de door de rechtbank gemaakte herberekening inhoudelijk moeten onderbouwen door aan te geven hoe hoog een redelijke premie bij het KoersPlan dan wel had moeten zijn alsmede welke premie bij haarzelf of andere verzekeraars voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening werd gebracht. Door dat niet te doen heeft Aegon naar het oordeel van het hof de stellingen van de Stichting onvoldoende betwist. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.[rov. 3.6.3.]

Resterende klachten:
De resterende klachten worden met behulp van art. 81 RO de deur uitgeveegd. Dat behoeft geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Conclusie:

Fouten bij Aegon:
Uit het arrest van de Hoge Raad kunnen we afleiden dat Aegon wat steken heeft laten vallen bij het voeren van verweer. Het eerste foutje is relatief klein betreft het verjaringsverweer. Voor zover de vorderingen niet zien op verklaringen voor recht maar op een veroordeling tot nakoming van de overeenkomsten, zien zij klaarblijkelijk op het doen van de verschuldigde uitkeringen aan het einde van de looptijd van de overeenkomsten. Deze uitkeringen worden pas op moment opeisbaar. In de feitelijke instanties heeft Aegon niet aangevoerd dat daarvoor sprake is van verjaring ingevolge art. 3:307 BW. Mogelijk had dit de schade wat kunnen beperken afhankelijk van wanneer de verschuldigde uitkeringen opeisbaar worden. Dit zal per geval verschillen aangezien verschillende polissen op verschillende tijdstippen zullen aflopen.

Een echter kolossale fout is dat Aegon bij het Hof niet inzichtelijk heeft willen maken waarom de premie zo hoog was. Het hof stelde vast dat betwisting van de door de rechtbank gemaakte herberekening inhoudelijk onderbouwd zou moeten worden door aan te geven hoe hoog een redelijke premie bij het KoersPlan dan wel had moeten zijn en, gelet op punt 7 van de Aanbeveling, daartoe zou hebben aangegeven welke premie bij haarzelf of andere verzekeraars voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening werd gebracht. Doordat Aegon dat niet heeft gedaan, heeft het hof zelf een vaststelling gedaan van wat een redelijke premie was. Ongelukkigerwijs voor Aegon stelde het hof een redelijke premie vast op ongeveer 15% van Aegon in rekening bracht.

Ook bij de Hoge Raad kreeg Aegon nul op het rekest omdat deze handelswijze van hof logischerwijs niet als onbegrijpelijk werd gezien. Aegon heeft dus eigenlijk gegokt dat de vaststelling van hof wel mee zou vallen en daarmee hebben ze zich grandioos misrekend. “Aegon stond op het standpunt dat de overlijdensrisicoverzekering integraal onderdeel uitmaakte van Koersplan; vandaar dat het geen aparte premie heeft af willen geven, waardoor nu een volstrekt willekeurige en extreem lage premie als uitgangspunt is genomen. Achteraf kunnen we concluderen dat dit niet handig is geweest.” aldus Aegon.

Gevolgen:
Aegon zal moeten betalen aan de 30.000 polishouders die participeerden in deze rechtszaak. Er zijn dan echter nog wel een 570.000 polishouders die niet in deze rechtszaak geparticipeerd hebben. Voor hen betekent het niet automatisch dat zij recht hebben op dezelfde vergoeding.

Als zij hun gelijk willen halen, dan zullen ze zelf een rechtszaak moeten starten. Aegon zal vermoedelijk geen tweede keer dezelfde fouten maken dus de uitkomst van een tweede rechtszaak zal waarschijnlijk anders zijn. Hoe (on)gunstig de uitkomst dan is, is lastig in te schatten. Dat zal grotendeels afhangen van hoe aannemelijk Aegon de gekozen premiehoogte kan maken.

Betekent dat dan dat 570000 helemaal in de kou blijven staan? Dat valt gelukkig ook wel weer mee, Aegon zit namelijk echt niet te wachten op nog eens een stapel rechtszaken. Aegon gaat voor de overige Koersplan-klanten inzichtelijk maken welke premie bij zichzelf of andere verzekeraars voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering in rekening werd gebracht. Aegon gaat aan de hand van die analyse pro-actief bekijken waar verdere compensatie nodig is. Aegon zal daartoe in overleg treden met Stichting Koersplan De Weg Kwijt en individuele klanten.

De premie die bij zichzelf of voor andere verzekeraars voor een vergelijkbaar risico bij een zelfstandige risicoverzekering zal waarschijnlijk wel gaan afwijken van de constatering die hof en Hoge Raad gedaan hebben. Het is dus goed mogelijk dat de groep overige klanten er minder goed vanaf komt.

We zullen de komende tijd moeten gaan zien hoe dit plan van Aegon precies uit gaat pakken. Het is echter nog steeds goed mogelijk dat een aantal gedupeerden aangemoedigd door het succes van stichting Koersplandewegkwijt rechtszaken gaat starten zonder dat ze goed de risico’s kunnen overzien.

Bron:
LJN: BR2836, Gerechtshof Amsterdam
LJN: BZ3749, Hoge Raad
Persbericht: Reactie Aegon uitspraak Hoge Raad via Aegon.nl
Aegon neemt premie voor alle Koersplan-klanten onder loep via amweb.nl
Dossier Koersplan Aegon via rtlz.nl

Comments closed.