Wraking begint een populairder rechtsmiddel te worden. Soms gebeurt dat om goede redenen redenen en kan er daadwerkelijk twijfel bestaan over de onpartijdigheid van een rechter in een zaak. Soms gebeurt wraking vanwege slechte redenen bijvoorbeeld omdat een verdacht een procedure wil traineren. Een wrakingsverzoek dient wel tijdig gedaan te worden, meer specifiek voor het eind van de procedure. In dat kader was er recentelijk een leuke uitspraak over de ontvankelijkheid van een wrakingsverzoek.

De feiten:
Nadat het onderzoek ter zitting inzake het verzoek tot faillietverklaring van Saas Concepts B.V. was gesloten en de rechter bezig was met het motiveren van de uitspraak, heeft de gemachtigde van Saas in zijn hoedanigheid van middellijk aandeelhouder een verzoek tot wraking gedaan. De zitting is vervolgens geschorst tot op het wrakingsverzoek uitspraak was gedaan.

Het wrakingsverzoek:
Verzoekster stelt dat gedurende de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring zij niet serieus is genomen door de rechter. Deze ging volledig voorbij aan tal van bewijsstukken waarop verzoekster een beroep deed. De rechter wilde deze bewijsstukken niet inzien waardoor verzoekster niet de mogelijkheid heeft gekregen om deze bewijsstukken in te dienen. In dit verband heeft de rechter tijdens het motiveren van de uitspraak ook de term “ongeloofwaardig” gebruikt.

Ontvankelijkheid:
Zowel de rechter als de advocaat van de verzoekers tot faillissement hebben aangevoerd dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan. Het onderzoek ter zitting was al gesloten. De wrakingskamer beziet dit echter anders en verwerpt dit verweer. Een wrakingsverzoek moet zijn ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd.

Dat is in dit geval gebeurd. Het onderzoek ter terechtzitting was weliswaar afgesloten maar het faillissement van Saas Concepts B.V. was nog niet uitgesproken. Verzoekster is derhalve ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek:
De wrakingskamer stelt voorop dat wraking slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een vezoek moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. Uit de artikelen 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief kan worden afgeleid dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is.

Voor zover het wrakingsverzoek zich richt tegen de weigering om geen kennis te nemen van het stuk van het UWV, is dit verzoek ongegrond. Vast is komen te staan dat verzoekster het betreffende stuk pas heeft aangeboden -feitelijk ermee heeft ‘gewapperd’- nadat het onderzoek ter zitting was gesloten. Dat is te laat.

Ten aanzien van de term ‘ongeloofwaardig’ staat inderdaad vast dat deze gebruikt is tijdens het motiveren van de uitspraak. Volgens verzoekster is zij daarmee in feite voor leugenaar uitgemaakt. Een aspect van motivatie van het vonnis is het waarderen van de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken. Om aan te geven waarom zijn oordeel in het voordeel of nadeel van een partij uitvalt, is het op zichzelf toegestaan dat een rechter zich in dat verband een term als “ongeloofwaardig” of woorden van gelijke strekking te gebruiken.

Verzoekster stelt ook nog dat er sprake was van ‘een onprettige sfeer’ tijdens de behandeling van het verzoek tot faillissementsverklaring alsmede dat verzoekster zich ‘niet serieus genomen’ voelt. Zonder nadere feitelijke onderbouwing kan dit niet leiden tot een oordeel dat er objectief bezien sprake kan zijn van een gebrek aan onpartijdigheid.

Ten slotte overweegt de wrakingskamer dat de omstandigheid dat de rechter wellicht een fout heeft gemaakt bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak zich niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer. Een dergelijke omstandigheid kan slechts in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

Het wrakingsverzoek wordt derhalve afgewezen.

Conclusie:
Mijns inziens is het belangrijkste element van deze uitspraak van de wrakingskamers de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Een wrakingsverzoek dient plaats te vinden voordat de procedure is geëindigd. Normaliter zal een wrakingsverzoek al plaatsvinden bij het onderzoek ter terechtzitting. In dit geval gebeurde het pas tijdens het motiveren van het vonnis, de einduitspraak op het verzoek tot faillissementsverklaring was echter nog niet gedaan. Dat betekent dat het wrakingsverzoek nog tijdig gedaan was.

De behandeling van het wrakingsverzoek is in dit kader minder belangrijk, er staan weinig opzienbarende dingen in en zoals gebruikelijk begint de wrakingskamers met de standaardformules aangaande het feit dat een rechter uit hoofde van zijn ambt vermoed wordt onafhankelijk te zijn behoudens gewichtige contra-indicaties etc. De behandeling van het wrakingsverzoek geeft echter wel aan hoe het er soms op een zitting aan toe kan gaan en hoe een dergelijke chaos juridisch geherkwalificeerd wordt alsmede wat de gevolgen zijn.

Een zitting kan soms redelijk chaotisch verlopen. Kennelijk is verzoekster op een gegeven moment opgestaan en heeft vervolgens wild in het rond gezwaaid met een papiertje wat afspraken met het UWV zou moeten bevatten welke als bewijs voor een stelling in het hoofdgeding kunnen dienen. De juridische herkwalificatie hiervan is het aanbieden van bewijsmateriaal. De rechter was, helaas voro verzoekster, toen al bezig de uitspraak te motiveren. De kans om dan nog bewijsmateriaal in te brengen is verkeken omdat het onderzoekt ter terechtzitting dan al gesloten is.

Dat verzoekster zich vervolgens kennelijk niet gehoord heeft gevoeld is niet onbegrijpelijk, er staan misschien ook behoorlijke financiële belangen op het spel nu een middellijk aandelenbezit in één klap dreigt praktisch waardeloos te worden door faillissement. Misschien is het in casu zelfs niet onbegrijpelijk dat verzoekster de sprong maakte naar vooringenomenheid van de rechter nu de term ‘ongeloofwaardig’ werd gehanteerd.

Bij het motiveren moet er echter wel een waardeoordeel worden gegeven over de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken. Om aan te geven waarom zijn oordeel in het voordeel of nadeel van een partij uitvalt, is het op zichzelf toegestaan dat een rechter zich bedient van een term als “ongeloofwaardig”.

De wrakingskamer merkt tenslotte nog op dat voor zover er mogelijkerwijs fouten zijn gemaakt in de behandeling van het hoofdgeding, hoger beroep moet worden ingesteld. Dat is ook logisch aangezien het niet aan de wrakingskamer is om een herbeoordeling te geven van de feiten in het hoofdgeding. Zou dat immers wel gebeuren dan zou het hele idee van hoger beroep, zijnde de feiten opnieuw bekijken en beoordelen, meteen waardeloos zijn. Een wrakingsverzoek wordt dan een soort hoger beroep + het beoordelen van eventuele partijdigheid van een gelijkwaardige of lagere rechter.

Het gebeurt overigens bij mijn weten maar heel zelden dat een wrakingsverzoek pas wordt ingediend bij het motiveren van de uitspraak. Zoals eerder opgemerkt gebeurt dit gewoonlijk al bij het onderzoek ter terechtzitting. Bij een faillissementsverzoek is het kennelijk mogelijk om dit te doen maar de vraag is of dat naar analogie kan worden toegepast op alle situaties. Kan dit bijvoorbeeld alleen bij verzoekschriftprocedures of kan dit ook bij dagvaardingsprocedures? Het oordeel van de wrakingskamer geeft dus ook nog wat stof tot nadenken hetgeen altijd leuk is voor de inquisitieve geest.

Bron:
LJN: BZ8189, Rechtbank Arnhem

Comments closed.