Het lijkt er op dat er nu eindelijk een definitief antwoord gaat komen op de vraag of een assurantieportefeuille verpandbaar is. De rechtbank te Rotterdam gaat hierover een prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad.

De vraag:
De rechtsvraag is of het mogelijk is om een pandrecht op een assurantieportefeuille te vestigen, ofwel de (voor)vraag of een assurantieportefeuille een vermogensrecht is in de zin van art. 3:6 BW. Het antwoord op deze vraag is nodig om op de eis in het hoofdgeding te beslissen en dit antwoord is rechtstreeks van belang voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen. Tevens wil de rechtbank voorkomen dat er een veelheid aan (tegenstrijdige) rechtspraak van lagere rechter ontwikkelt. Er is overigens al een zaak van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2012 (rangregelingprocedure) waarin is geoordeeld dat een assurantieportefeuille als vermogensrecht is aan te merken.

De assurantieportefeuille nader beschouwd:
Een assurantieportefeuille is een lastig begrip. Eigenlijk bestaat een portefeuille uit een drietal rechtsverhoudingen. Allereerst is er de overeenkomst tussen een intermediair en de verzekeraar. Dit is de bron van het beheersrecht van de portefeuille en omvat onder meer dingen als rechtstreekse premie-incasso en de uitbetaling van verzekeringspenningen. Daarnaast is er een rechtsverhouding tussen de tussenpersoon en de verzekerde. Ten derde is er een overeenkomst tussen de verzekerde en de verzekeraar. Dit geheel van rechtsverhoudingen kan tezamen worden aangemerkt als een portefeuille.

Literatuur en rechtspraak over verpandbaarheid:
De literatuur is verdeeld over de vraag of een assurantieportefeuille als verpandbaar moet worden aangemerkt. Een argument contra vinden we in mr. G.H.G.M van Berkel, ‘Verpanding van verzekeringsportefeuilles anders belicht’, TvI 2011, 29. De wet en de jurisprudentie bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een portefeuille overdraagbaar is. Nu een wettelijke regeling die de wijze van levering vastlegt ontbreekt, kan een portefeuille niet kan worden verpand. Volgens van Berkel is de restbepaling van art. 3:95 BW niet op portefeuilles van toepassing.

Een argument pro vinden we in mr. FJ.L. Kaptein, ‘Het portefeuillerecht als vermogensrecht van de assurantietussenpersoon: overdracht, en executie door de pandhouder’, TvI 2011, 22. & mr. F.J.L. Kaptein, ‘Naschrift op: Verpanding van verzekeringsportefeuilles anders belicht’, TvI 2011, 30. De Hoge Raad en de Wet Financieel Toezicht geven aan dat een portefeuille overdraagbaar is. Een specifieke leveringsbepaling is, anders dan de tegenpleiters stellen, niet vereist. Voor dit doel is de restbepaling van artikel 3:95 BW opgenomen.

Het vonnis van de rechtbank Roermond volgt de lijn van Kaptein. Artikel 3:83 bepaalt dat een voorwerp van recht als vermogensrecht kan worden aangemerkt onder meer als eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn. Een aanwijzing voor mogelijke overdraagbaarheid kan worden gevonden in art. 4:103 lid 4 Wft. Dat stelt dat de verzekeraar op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking verleent aan de gehele of gedeeltelijke “overdracht van de portefeuille” van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

Voor de erkenning van de portefeuille als een vermogensrecht is van belang dat het voorwerp een zekere vastigheid heeft; het moet duidelijk zijn wat onder het betreffende voorwerp van vermogensrecht begrepen wordt en de inhoud ervan moet een zekere stabiliteit hebben. Dat ligt bij de portefeuille echter lastig, zoals hierboven als aangegeven bestaat een portefeuille namelijk eigenlijk uit een verzameling van rechtsverhoudingen.

In de literatuur is er onder meer door Van Berkel op gewezen dat een tussenpersoon in de terminologie van de wet evenzovele portefeuilles heeft als dat hij verzekeringen bij verschillende verzekeraars heeft lopen, terwijl in het spraakgebruik doorgaans alle verzekeringen worden begrepen die een tussenpersoon in portefeuille heeft. De rechter-commissaris beschouwt dit echter meer als een kwestie van kwantiteit dan dat het de inhoud van het begrip portefeuille aantast en onduidelijk maakt.

De zienswijze van de rechter-commissaris wordt overigens gesteund door de MvA bij de Wabb waarbij over een verzekeringsportefeuille werd gesteld dat: ” Elke tussenpersoon …. Het op deze wijze gevormde geheel van relaties en meer concreet de bestaande overeenkomsten wordt in het spraakgebruik met het woord portefeuille aangeduid” (Kamerstukken I 1951/52, 870, nr. 11A, pag. 3 & C.J. de Jong, Portefeuillerecht, een privaatrechtelijke paragraaf in de Wft, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2009-1, pag. 11.e.v.)

Deze overweging van de wetgever wordt ook genoemd door de HR (HR 15/11/68, NJ 1969,25) waar werd geoordeeld dat de portefeuille van een tussenpersoon bestaat uit het geheel van diens relaties met de door hem als zijn cliënten beschouwde verzekeringnemers. In een later arrest neemt de HR het oordeel van het Gerechtshof Arnhem over (HR 2/6/76 NJ 1977, 384), dat er op neerkomt dat de rechten en plichten voortvloeien uit de door de intermediair met verzekeringnemers gesloten contracten tot de verzekeringsportefeuille van een intermediair behoren. In de literatuur vinden we soortgelijke overwegingen dat het portefeuillerecht van een tussenpersoon bestaat uit jegens anderen geldend te maken rechten (R.M Vriesendorp-van Seumeren, De positie van de ATP tot verzekeringnemer en de verzekeraar (diss. Amsterdam)Zwolle, W.E.J. Tjeen Willink, 1989, p. 45. & C.J de Jong, Groene Serie Privaatrecht, Toezicht Financiële Markten, commentaar art. 4:102).

Een ander probleem wat de rechter-commissaris ziet is de mogelijkheid van de verzekeraar om gebruik te maken van de in art. 4:104 lid 2 Wft gegeven bevoegdheid om de premie incasso zelf ter hand te nemen. In het kader van beoordeling van de portefeuille als vermogensrecht is de vraag of deze bevoegdheid aan (de vorm en inhoud van) dat recht niet zodanige afbreuk doet dat het niet meer in het stelsel van de wet past. De rechter-commissaris is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden nu art. 4:104 Wft aan de verzekeraar een bevoegdheid verleent die hem een soort zekerheid geeft op nakoming van de verplichtingen van de bemiddelaar. Het feit dat de waarde van de portefeuille door gebruikmaking van die zekerheid in waarde kan afnemen, tast het portefeuillebegrip op zichzelf niet aan.

Ook is er nog het goodwill-aspect van een portefeuille, dit is immers een groot deel van de waarde van een portefeuille. Er is eenstemmigheid dat goodwill op zichzelf geen vermogensrecht is. Dit houdt echter niet in dat elk vermogensobject waarvan goodwill een zeker onderdeel uitmaakt, dit ook niet kan zijn. De rechter-commissaris vindt het argument derhalve niet van dusdanige aard dat dit betekent dan een assurantie-portefeuille niet als vermogensrecht kan worden aangemerkt. De goodwill houdt in een assurantieportefeuille nauwer verband met de verzekeringsovereenkomsten die tot die portefeuille behoren dan dat in een onderneming die goodwill verbonden kan worden aan onderdelen van de assurantieonderneming.

Bovendien heeft de wetgever in de Wft de positie van de bemiddelaar willen versterken. Erkenning van een portefeuille als vermogensrecht ligt dan ook in deze lijn. Hierdoor zal een bemiddelaar met een portefeuille als onderpand namelijk meer krediet kunnen verkrijgen. Tenslotte zijn er diverse uitspraken van de Hoge Raad waarin de overdraagbaarheid van de assurantieportefeuille als een gegeven wordt beschouwd, althans daaraan geen restricties worden verbonden die daaraan doen twijfelen.

Een en ander doet de rechter-commissaris oordelen dat de portefeuille dient te worden aangemerkt als een vermogensrecht c.q. dat de portefeuille als verpandbaar moet worden gezien.

Conclusie:
Hetgeen hierboven allemaal staat vermeld is slechts een kleine introductie in de materie over de verpandbaarheid van assurantieportefeuilles. Er zijn uitstekende argumenten zowel voor als tegen op basis van parlementaire geschiedenis, literatuur, rechtspraak en interpretatie van andere wetten. Zolang de Hoge Raad hier nog geen uitspraak over heeft gedaan zal de onduidelijkheid blijven voortbestaan. Het is mijns inziens dan ook een goede zet geweest van rechtbank Rotterdam om een prejudiciële vraag hierover te stellen aan de Hoge Raad.

Dit op zichzelf al massale feitenstelsel maakt overigens deel uit van de bredere problematiek rondom de vrij strikte redactie van artikel 3:83 BW waarbij met name het derde lid het af en toe moet ontgelden. De rechtsontwikkeling zou worden opgehouden als voor de erkenning van nieuwe rechtsfiguren als zelfstandige vermogensrechten steeds als vereiste wordt gesteld dat de wet ze als zodanig erkent, en dan ook nog indirect door te bepalen dat ze overdraagbaar zijn. Aan de andere kant gaat het hier wel over een fundamentele vorm van rechtszekerheid, namelijk de kern van het goederenrecht. Niemand is er bij gebaat als er daar halfzachte toetsingscriteria aan de dag worden gelegd welke in hoge mate casuïstisch van aard zijn. Het zal maar onduidelijk worden wie eigenaar is van een goed of wie rechthebbende is van een vordering. Die discussie gaat echter te ver buiten de reikwijdte van dit artikel om daar meer aandacht aan te besteden.

Vooralsnog mogen we hopen dat de Hoge Raad deze prejudiciële vraag zal gaan beantwoorden en derhalve weer wat rust schept in het juridische leven.

Bron:
LJN: BZ8347, Rechtbank Rotterdam
LJN: BX5087,Voorzieningenrechter Rechtbank Roermond
Overige literatuur is in het artikel zelf vermeld bij de relevante passage.

Comments closed.