Op 6 augustus schreef ik over een geruchtmakende zaak in de erfbelasting. De rechtbank Breda oordeelde toen dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 voor alle tot een nalatenschap behorende goederen zouden moeten gelden, aangezien deze faciliteiten een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling veroorzaken. In die zaak is hoger beroep ingesteld en deze week deed het Hof ‘s-Hertogenbosch uitspraak.

De kern van het geschil:
De centrale rechtsvraag in dit geding is of het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM met zich meebrengt dat de bedrijfsopvolgingsregelingen in de Successiewet 1956 ook op ander vermogen dan ondernemingsvermogen van toepassing is. De rechtbank was van oordeel dat dit het geval was omdat de aard en niet hoedanigheid (privévermogen of ondernemingsvermogen) van hetgeen is verkregen relevant is. De begunstiging van ondernemingsvermogen ging volgens de rechtbank veel verder dan redelijk kan worden genoemd. Dat levert een ongerechtvaardigde discriminatie op tussen ondernemingsvermogen en privévermogen.

Overwegingen en oordeel van het Hof:
Het hof begint met een uitgebreide beschouwing van de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de ondernemingsfaciliteiten van het begin van de Successiewet tot en met de herziening uit 2010. Ten aanzien van het discriminatieverbod begint het Hof met de constatering dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (in dit verband wijst het Hof onder meer op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2003, nr. 37 755, LJN: AF9678 en van 8 juli 2005, 39 870, LJN: AQ7212)

In aanvulling op de ruime beoordelingsvrijheid dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot (vgl. onder andere EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398, EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2 en EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05, zaak Burden en Burden/Verenigd Koninkrijk, EHRC 2007/18). [rov. 4.3.]

Gezien het bepaalde in artikel 1 Sw, dat successierecht wordt geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen, zijn is erven van ondernemingsvermogen gelijk aan het erven van niet-ondernemingsvermogen. Derhalve dient beoordeeld te worden of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het ongelijk behandelen van die gevallen. [rov. 4.4. & 4.5.]

Aanvankelijk zijn de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten gecreëerd om te voorkomen dat een verder gezonde onderneming die vererft moet worden gestaakt of geforceerd moet worden verkocht tengevolge van heffing van erfbelasting omdat er onvoldoende liquide middelen zouden kunnen zijn om een dergelijke heffing te voldoen. Dit zou een onnodig verlies aan werkgelegenheid en economische diversiteit opleveren.[rov. 4.6.]

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in de loop der tijd een ander doel aan de vrijstelling is toegekend. Het mogelijke ontbreken van liquide middelen is niet langer de rechtvaardiging om de verkrijging van ondernemingsvermogen anders te behandelen dan niet-ondernemingsvermogen.De continuïteit van de onderneming is voorop komen te staan, ook in die gevallen waarin belastingheffing niet tot betalingsproblemen zou leiden.[rov. 4.7.]

Het Hof oordeelt dat het waarborgen van de continuïteit van een onderneming een objectieve en redelijke rechtvaardiging is om een onderscheid te maken tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen nu dit onder meer van belang is voor behoud van de werkgelegenheid en economische diversiteit.

Gezien de eisen gesteld aan de te vererven onderneming (als bedoeld in artikel 3.4 of 3.5 IB 2001), en de voortzettingseis (minstens 5 jaren art. 53c Sw) is het onderscheid niet disproportioneel en is de wetgever haar beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan omdat het niet van redelijke grond is ontbloot. [rov. 4.8. & 4.9.]

Conclusie:
Het Hof heeft geoordeeld dat het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen geen ongerechtvaardigd onderscheid is. Het overzicht van de parlementaire geschiedenis laat een verschoven focus zien. Aanvankelijk gold de vrijstelling voor (een deel van) het ondernemingsvermogen om te voorkomen dat een onderneming door liquiditeitsproblemen tengevolge van een belastingaanslag feitelijk zou moeten opdoeken. De focus is verschoven naar de continuiteit van de onderneming in alle gevallen te waarborgen.

Dit is voldoende om het maken van een onderscheid te rechtvaardigen. De wettelijke eisen die worden gesteld om de ondernemingsfaciliteiten te mogen gebruiken zijn voldoende grondslag om vast te kunnen stellen dat de wetgever haar ruime beoordelingsmarge niet te buiten is gegaan en dat de getroffen regeling niet van elke redelijke grond is ontbloot.

Dat is slecht nieuws voor iedereen die hoopvol was dat de aanslag erfbelasting fors verminderd ging worden en goed nieuws voor fiscus. Het is de vraag of erfgenaam nu in cassatie zal gaan.

LJN: BZ7841, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Successiewet discrimineert niet via rechtspraak.nl

Comments closed.