Wanneer iemand komt te overlijden, zullen de erfgenamen voor een aantal soms lastige keuzes worden gesteld. De laatste wensen van de overledene zullen moeten worden uitgevoerd, waaronder een eventueel aanwezige uiterste wilsbeschikking. Afhandeling van de nalatenschap is daar een belangrijk deel van. In dit kader deed de kantonrechter van Roermond recentelijk een opmerkelijke uitspraak.

Drie keuzes:
Erfgenamen hebben drie keuzes ((4:190 lid 1 BW) ten aanzien van een nalatenschap. Zij kunnen deze of:

  1. zuiver aanvaarden of
  2. beneficiair aanvaarden of
  3. verwerpen

De standaardsituatie is zuivere aanvaarding waarbij de saisine-regel onverminderd in werking treedt. De erfgenaam/erfgenamen treden vermogensrechtelijk in de plaats van de overledene. Anders gezegd: er treedt rechtsopvolging op onder algemene titel. Sec gezegd betekent dit dat een erfgenaam alle baten maar ook alle lasten uit de nalatenschap krijgt. Dat betekent dat een erfgenaam bij zuivere aanvaarding met zijn privévermogen aansprakelijk kan worden voor schulden die door de erflater zijn gemaakt.

Bij beneficiaire aanvaarding verkrijgt een erfgenaam alleen de goederen van de nalatenschap die zijn overgebleven na voldoening van de schulden van de erflater. De erfgenaam hoeft slechts schulden van de erflater te voldoen voor zover het geërfde vermogen daarvoor toereikend is. Dit maakt beneficiaire aanvaarding uitermate geschikt om nalatenschappen te aanvaarden waarvan de “inhoud” onbekend is. Met dit mechaniek kan een een erfgenaam voorkomen dat hij met zijn privévermogen aansprakelijk wordt voor schulden van de erflater.

Tot slot wordt bij verwerping een erfgenaam met terugwerkende kracht geacht nooit een erfgenaam te zijn geweest.

Het probleem:
Een erfgenaam kan uitdrukkelijk aangeven dat hij de erfenis zuiver aanvaard. Hij kan zich ook als zodanig gedragen, bijvoorbeeld door eigendommen van de erflater mee te nemen of zonder voorbehoud schulden te voldoen (artikel 4:192, eerste lid, BW). Hierin schuilt het gevaar, veel erfgenamen zijn niet of onvoldoende op de hoogte van geldende regelgeving en gedragen zich als zuiver aanvaardend erfgenaam waardoor zij zuiver aanvaarden, hoewel dit soms helemaal hun bedoeling niet is.

Het vervelende is dat in beginsel e keuze die een erfgenaam voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping maakt, onomkeerbaar is (art. 4:190 lid 4 BW). Tal van mensen wordt op deze manier aansprakelijk voor schulden uit de nalatenschap zonder dat zij het beseffen. Nu is dat geen heel erg solide excuus aangezien iedereen geacht wordt de wet te kennen, maar het is wel degelijk een probleem.

In een beperkt aantal gevallen is het toch nog mogelijk om via art. 4:194 BW na zuivere aanvaarding alsnog beneficiair te aanvaarden. Hiervoor is dan wel een machtiging van de kantonrechter nodig.

De feiten:
Na het overlijden van erflaatster hebben enkele erven [hierna: Y] de nalatenschap zuiver aanvaard. Enkele andere erven [hierna: X] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Laatstgenoemde erven waren weliswaar op de hoogte van de uiterste wil van de erflater, maar niet hadden voorzien dat de nalatenschap van moeder zo gering was dat niet alle vorderingen voldaan konden worden. Saillant detail daarbij is dat X met eigen vermogen het erfdeel van Y aan zou moeten vullen.

De erven X trachten hun gelijk te halen via twee argumenten: ten eerste is er een beroep gedaan op artikel 4:194 BW en ten tweede wordt betoogd dat een dergelijke situatie onredelijk is.

De overwegingen en uitspraak van de kantonrechter:
Op basis van de tekst van artikel 4:194 BW wordt het eerste argument afgewezen. De tekst luidt immers: “Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil[…]” In casu waren de erven X al bekend met de uiterste wil voordat de nalatenschap zuiver werd aanvaard. Het eerste argument gaat derhalve niet op.

Ter zitting hebben de erven X herhaald dat het de uitdrukkelijke wens van erflaatster was dat alle kinderen gelijk bedeeld zouden worden. De verdeling zoals die optreedt tengevolge van zuivere aanvaarding zou niet overeenstemmen met de uiterste wil en zou bovendien onredelijk zijn. Dit is niet met zoveel woorden weersproken door erven Y.

De kantonrechter is van oordeel dat door het vooroverlijden van echtgenoot van erflater alsmede het overlijden van erflaatster een onverdeelde gemeenschap is ontstaan zoals bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW, welke toekomt aan de erfgenamen. Uit lid 3 van ditzelfde artikel vloeit voort dat op de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten (in dit geval de erven) artikel 6:2 BW van toepassing is. Dit artikel verklaart dat de rechtsbetrekking tussen deelgenoten wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid kunnen inbreuk kunnen maken op hetgeen uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit. De kantonrecht is van oordeel dat het in het dit geval redelijk en billijk is om aan de erven X machtiging te verlenen om de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden. Op deze wijze worden de kinderen allen gelijkelijk bedeeld zodat de feitelijke situatie in overeenstemming kan worden gebracht met de uiterste wil van erflaatster.

Conclusie:
Dit is een vrij opmerkelijke uitspraak van de kantonrechter aangezien het wettelijke stelsel hiermee bijzonder hard onderuit wordt gehaald. Het zou zonder meer zeer interessant zijn om te zien of de gebruikte redenering de toets der kritiek van een hoger beroep zou kunnen doorstaan.

Een direct beroep op artikel 4:194 BW kan niet slagen omdat erven X al zuiver aanvaard terwijl zij bekend waren met de uiterste wil van erflaatster. De wettekst is bijzonder duidelijk over het feit dat in dat geval artikel 4:194 BW geen toepassing kan vinden. Uit hoofde van de wet kunnen de erven X dus eigenlijk niet langer beneficiair aanvaarden. De oplossing wordt gevonden in een omweg via een gemeenschap welke verdeeld moet worden en onder het bereik valt van redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid is in juridisch opzicht een paardenmiddel omdat het zelfs de wet buiten werking kan stellen. De kantonrechter merkt dan ook zeer terecht op dat met het middel terughoudend moet worden opgetreden. Het is echter in dit geval gerechtvaardigd omdat met gebruik hiervan alsnog kan worden voldaan de uiterste wil van erflaatster.

Mijns inziens wordt hier dus een testament gebruikt om het wettelijke stelsel buiten werking te stellen. Deze redenering kan alleen opgaan omdat de erven het kennelijk met elkaar eens zijn over de inhoud van de uiterste wil. Opmerkelijk daarbij is wel dat erven Y de stellingen van erven X kennelijk “niet met zoveel woorden” tegengesproken hebben. De vraag is dan met hoeveel woorden de stellingen eventueel wel zijn tegengesproken. Dat is echter iets wat we nooit zullen weten.

Een redenering als hier gehanteerd wordt, zal nooit op kunnen gaan als het niet de bedoeling is geweest van erflater om alle erven gelijk te bedelen.

Tot slot moet nog gemeld worden dat de staatssecretaris bezig is met het ontwerpen van een plan om erfgenamen beter te beschermen tegen onverwachte schulden uit een nalatenschap. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het systeem zoals beschreven in artikel 4:194 BW. Zie hiervoor ook het eerdere artikel op legallife.nl

Bron:
LJN: BZ0690,Sector kanton Rechtbank Roermond

Comments closed.