De Hoge Raad heeft afgelopen vrijdag een arrest gewezen dat van groot belang is voor de advocatuur. Een advocaat in loondienst heeft wel degelijk een verschoningsrecht. Dit volgt uit een sprongcassatie ingesteld door Delta N.V. naar aanleiding van een andersluidende beschikking van de rechtbank Groningen.

De aanloop:
We gaan eventjes terug naar 28 februari vorig jaar. De beschikking van de rechtbank Groningen ging over een voorlopig getuigenverhoor in een zaak die was aangespannen tegen Delta. De advocaat die daar in dienstbetrekking was zou geen verschoningsrecht hebben ten aanzien van interne communicatie omdat hij niet onafhankelijk was.

Deze redenering werd door de rechtbank onderbouwd met een beroep op het AKZO-arrest van het Europees Hof van Justitie. De rechtbank nam de argumentatie van het HvJEU over wat stelde dat, kort gezegd, de onafhankelijkheid van de advocaat in dienstbetrekking niet voldoende gewaarborgd is, omdat hij nu eenmaal in loondienst is van het bedrijf.

Het middel in cassatie:
Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het HvJEU, meebrengt dat ook naar Nederlands recht een advocaat in loondienst geen verschoningsrecht toekomt.

Overwegingen van de Hoge Raad:
In het Akzo-arrest heeft het HvJEU bevestigd dat binnen het Unierechtelijke mededingingsrecht een advocaat in dienstbetrekking geen verschoningsrecht toekomt vanwege een gebrek aan onafhankelijkheid. Anderzijds is uitgemaakt dat het Unierechtelijke mededingingsrecht en het nationale mededingingsrecht naast elkaar van toepassing zijn en dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel niet verplicht voor beide types procedures identieke criteria te hanteren aangaande de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaten en cliënten. Bijgevolg heeft het Akzo-arrest slechts te gelden binnen het Unierechtelijke mededingsrecht.

In Nederland is sinds lang aanvaard dat een advocaat in dienstbetrekking werkzaam kan zijn. Er is op basis van de Nederlandse praktijk en de waarborgen die bestaan ten aanzien van de wijze van praktijkuitoefening door advocaten in loondienst, onder meer in de Verordening op de advocaat in dienstbetrekking van 17 juni 1977 en de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking van 27 november 1996, geen reden om een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is.

Conclusie:
De Hoge Raad maakt bijzonder korte metten met de uitspraak van de rechtbank. De redenering wordt trapsgewijs opgebouwd. Allereerst wordt vastgesteld dat voor het Unierechtelijke mededingingsrecht en het nationale civiele recht geen identieke maatstaven hoeven te worden gehanteerd. Vervolgens wordt toegewerkt naar de conclusie dat het Unierecht en het Nederlands civiele recht niet vergelijkbaar zijn en dat overwegingen van het Hof buiten de Unierechtelijke context in dit geval niet relevant zijn.

Dat wordt gedaan middels de conclusie dat in het Nederlands civiel recht al lange tijd is aanvaard dat de advocaat in loondienst werkzaam kan zijn en dat gezien de waarborgen die van kracht zijn, er geen enkele reden is om advocaat zijn verschoningsrecht te ontzeggen enkel en alleen omdat deze in loondienst werkzaam is. Er kunnen dus nog wel andere redenen zijn om een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen en het werkzaam zijn in een dienstverband kan een deel van het daartoe strekkende feitencomplex zijn.

Blijkens andere artikelen over deze materie is het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen (NGB) bijzonder blij met deze uitspraak. Dat is logisch gezien het feit dat de beroepsuitoefening van bedrijfsjuristen anders behoorlijk onder druk komt te staan als zij ineens niet langer blijken te beschikken over een verschoningsrecht. Dat geeft een enorme knauw aan het beroepsgeheim. Andersom is het natuurlijk ook van groot belang voor bedrijven die advocaten in dienst hebben. Dit is met name in het geval van beroepsgroepen waar compliancefuncties van groot belang zijn, denk daarbij onder meer aan grote beursgenoteerde bedrijven of bijvoorbeeld de financiële sector.

Ook interessant is de conclusie van Advocaat-Generaal Wuisman. Hij gaat breed in op het feit dat het HvJEU geen ‘algemeen werkend beletsel’ op het oog had ten aanzien van advocaten in loondienst (onderdeel 3.10 t/m 3.12). De rechtbank te Groningen heeft volgens hem ten onrechte in heel algemene bewoordingen geoordeeld dat een advocaat in loondienst ten aanzien van communicatie met zijn werkgever geen verschoningsrecht toekomt. Er wordt daarbij geen nadere onderbouwing gegeven. In mijn optiek wordt de rechtbank Groningen derhalve een gebrek aan (juridische) nuance verweten door een specifieke regel onvoldoende dan wel gebrekkig gemotiveerd breed toe te passen. Geheel in lijn met de conclusie van de A-G ben ik van mening dat zowel binnen de literatuur als rechtspraak van de afgelopen decennia een breed gedragen opvatting is dat ook een advocaat in loondienst een beroepsgeheim en daarmee verschoningsrecht heeft, mits aan voorwaarden voldaan is om de onafhankelijkheid voldoende te waarborgen.

Dankzij deze uitspraak is het verschoningsrecht voor de advocaat in loondienst in ieder geval voorlopig weer gered. Dit maakt het mogelijk voor de professionele bedrijfsjurist om weloverwogen ook advocaat te blijven.

Bron:
LJN: BY6101, Hoge Raad
HR: wél verschoningsrecht voor advocaat in loondienst via mr-online.nl
Hoge Raad: advocaat in dienstbetrekking heeft verschoningsrecht via advocatie.nl
LJN: BV7149, Rechtbank Groningen
Rechtbank: geen verschoningsrecht voor advocaat in dienstbetrekking via advocatie.nl
Advocaat/bedrijfsjurist Delta NV mist verschoningsrecht via advocatenblad.nl

Comments closed.