Op 7 maart heeft het HvJEU een arrest gewezen over het begrip (weder)doorgifte in de zin artikel 3 Auteursrechtrichtlijn. Dit arrest geeft behoorlijk wat stof tot nadenken en moet misschien zelfs gekwalificeerd worden als een mijlpaalarrest waar het op IE-recht aankomt. Omdat het een vrij lang arrest is, zal ik slechts de mijns inziens meest belangrijke elementen behandelen.

De feiten:
Het conflict gaat tussen enkele commerciële TV-zenders en een internetstreamingdienst genaamd TVCatchup (TVC). Middels TVC kunnen inwoners van het Verenigd Koninkrijk streams van gratis televisie-uitzendingen ontvangen, waaronder de door de commerciële TV-zenders uitgezonden televisie-uitzendingen.

TVC zorgt er voor dat gebruikers enkel toegang krijgen tot een inhoud waarnaar zij op grond van hun kijkvergunning reeds gerechtigd zijn te kijken in het Verenigd Koninkrijk. De gebruikers moeten akkoord gaan met voorwaarden welke onder meer omvatten het bezit van een geldige kijkvergunning en de beperking van het gebruik van de diensten van TVC tot het Verenigd Koninkrijk. Met de internetsite van TVC kan worden nagegaan waar de gebruiker zich bevindt, en wordt de toegang geweigerd wanneer de aan de gebruikers opgelegde voorwaarden niet zijn vervuld.

De activiteiten van TVC worden gefinancieerd met reclame welke wordt afgespeeld voordat de TV-uitzending zichtbaar is.

De rechtsvraag:
De centrale vraag is of een organisatie als TVC een “mededeling aan het publiek” doet, indien op internet televisieprogramma’s worden uitgezonden voor leden van het publiek die recht zouden hebben gehad op toegang tot het oorspronkelijke omroepsignaal, wanneer zij thuis op hun eigen televisietoestellen of draagbare computers deze programma’s zouden hebben bekeken. Dit alles terwijl TVC zich volledig bewust is van de gevolgen van haar handelingen en met het doel om een publiek voor haar eigen doorgiften en reclame aan te trekken.

Overwegingen en oordeel van het HvJEU:
Het Hof is van oordeel dat de activiteiten van TVC als een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn moeten worden gezien. De redenering hiertoe wordt in twee stappen opgebouwd.

Eerst stelt het Hof de reikwijdte van het begrip mededeling vast. Het recht van mededeling aan het publiek dekt elke overbrenging of doorgifte van een werk aan het publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de communicatie vandaan komt,
per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Daarnaast leidt machtiging van het uitzenden van beschermde werken aan het publiek niet tot uitputting van het recht om andere mededelingen/uitzendingen aan het publiek toe te staan ​​of te verbieden in de zin van artikel 3 lid 3 Auteursrechtenrichtlijn. Bijgevolg kan een dergelijke wederdoorgifte niet gebeuren zonder de toestemming van de auteurs van de wederdoorgegeven werken wanneer zij aan het publiek worden medegedeeld.

Anders gezegd, er moet worden vastgesteld dat elke (weder)doorgifte van een beschermd werk middels gebruik van specifieke technische middelen in de regel apart moeten worden goedgekeurd door de auteur.[punt 23 t/m 26]

Ten tweede stelt het HvJEU vast of de werken daadwerkelijk zijn medegedeeld aan een publiek. Volgens vaste jurisprudentie verwijst het begrip “publiek” naar een onbepaald aantal potentiële ontvangers en moet het bovendien gaan om een vrij groot aantal personen. Het Hof wijst erop dat er rekening gehouden moet worden met het cumulatieve effect van het beschikbaar maken van de werken voor potentiële afnemers. In dat verband moet er rekening worden gehouden met het aantal personen wat op hetzelfde moment toegang heeft en het aantal personen wat achtereenvolgens toegang heeft. [punt 30 t/m 33]

De vraag of de potentiële kijkers via een een-op-een verbinding toegang tot de medegedeelde werken hebben niet relevant nu deze niet belet dat een groot aantal personen tegelijk tot hetzelfde werk toegang heeft. In casu richt de wederdoorgifte van de werken via internet zich tot alle personen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, over een internetverbinding beschikken en beweren dat zij over een kijkvergunning beschikken. Deze personen kunnen tegelijk toegang tot de beschermde werken hebben. Er is derhalve sprake van een mededeling aan het publiek. [punt 34 t/m 36]

Nieuw is dat kennelijk niet hoeft te worden getoetst of er sprake is van een nieuw publiek. Volgens het HvJEU was die vraag slechts relevant in eerdere situaties. (SGAE (punt 40), Football Association Premier League e.a. (punt 197), alsook Airfield en Canal Digitaal(punt 72)). [punt 37 t/m 39]

Het belang van het winstoogmerkcriterium wordt ook nog enigszins naar beneden bijgesteld. Het is niet irrelevant maar in casu is het niet van belang of de wederdoorgifte wordt gefinancieerd door reclame en dus een winstoogmerk heeft of dat deze gebeurt door een organisatie die direct concurreert met de oorspronkelijke omroeporganisatie.[punt 41 t/m 47]

Conclusie:
Dit arrest is één van de vele in de lange reeks uitspraken waarmee het HvJEU de Auteursrechtenrichtlijn weer een stukje verder inkleedt. Opmerkelijk is dat het belang van het winstoogmerkcriterium behoorlijk wordt ingeperkt om niet te zeggen dat in deze zaak bijna gemarginaliseerd wordt. Het HvJEU houdt echter wel een slag om de arm door te stellen dat het winstoogmerkcriterium niet irrelevant is. Het belang van mededeling aan het publiek als primair criterium wordt hiermee nog eens bevestigd.

Opvallender is dat er niet onderzocht hoeft te worden of er sprake is van wederdoorgifte aan een nieuw publiek. Het verschil zit hem er volgens het HvJEU in dat in eerdere arresten situaties onderzocht werden waarin een ondernemer door zijn bewuste interventie een uitzending met beschermde werken toegankelijk had gemaakt voor een nieuw publiek waarmee de betrokken auteurs geen rekening hebben gehouden toen zij de betrokken uitgezonden doorgifte hebben toegestaan. Het is mij niet geheel duidelijk waarom een dergelijk subjectief criterium niet op deze situatie van toepassing zou zijn.

Tot slot merkt Micha Schimmel in een blog van SOLV op dat deze zaak mogelijk gevolgen heeft voor de uitspraak in de Nederlandse zaak tussen Nederland.FM en BUMA omdat: “naar analogie van deze uitspraak kan gesteld worden dat de radiostreams die door de radio-omroepen worden aangeboden op hun websites, zich dus ook richten tot alle personen die in Nederland wonen en over een internetverbinding beschikken.”

Dit wordt echter haast terloops genoemd en het is dan ook te hopen dat daar nog een apart blog aan wordt gewijd. Het is in ieder geval wel aanbevelenswaardig om het blog van SOLV hierover te lezen.

Geconcludeerd kan worden dat dit arrest van het Hof toch weer behoorlijk wat materie geeft om over na te denken.

Bron:
HvJ EU 07/03/2013, zaaknr. C-607/11, ITV / TV Catch Up via curia.europa.eu
Samenvatting zaak C-607/11 via curia.europa.eu
HVJ wijst fundamenteel arrest over openbaarmaking via internet via SOLV

Comments closed.