Afgelopen zaterdag schreef ik nog over de samenloop fiscale en strafrechtelijke sancties in het fiscaal strafrecht. Dat stuk was een beetje abstract maar vandaag hebben we op de rol een wat concreter geval uit de praktijk. Ook hier wordt duidelijk zichtbaar hoe lastig de materie van het fiscaal strafrecht is omdat fiscale maatregelen toch ook een strafrechtelijk karakter kunnen hebben.

De feiten:
Belanghebbende is een autohandelaar en reed op de openbare weg zonder (op correcte wijze) een groen handelaarskenteken te voeren. De gebruikelijke situatie is dat de persoon op wiens naam het kenteken van een motorrijtuig is geregistreerd voor dat voertuig motorrijtuigenbelasting moet betalen, tenzij het kenteken is geschorst. Voor voertuigen die tot de bedrijfsvoorraad van een garagebedrijf of autohandelaar behoren,
hoeft geen belasting betaald te worden.

Door niet op de juiste wijze het groene kenteken te voeren, kreeg belanghebbende een naheffing motorrijtuigenbelasting en daarnaast ook nog een boete. Belanghebbende ging in bezwaar en beroep tegen de boete. Deze uitspraak gaat over het beroep bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Standpunt fiscus:
De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op onjuiste wijze het kenteken voerde en dat de naheffing en boete in overeenstemming zijn met de wet.

Standpunt belanghebbende:
Belanghebbende stelt dat de naheffing relatief hoog is in verhouding tot de tijd die met het motorrijtuig is gereden (één dag) en de tijd dat het motorrijtuig behoorde tot zijn bedrijfsvoorraad. Tevens heeft belanghebbende erover geklaagd dat artikel 69 van de Wet MRB niet voorziet in tegenbewijs en dat dit in strijd is met het EVRM.

Artikel 69 MRB geeft de mogelijkheid om belasting na te heffen indien niet aan de vereisten van het voeren van een groen kenteken wordt voldaan. Meer specifiek wordt bepaald dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarvan wordt geconstateerd dat op die dag niet wordt voldaan aan de voorwaarden (de voorwaarden staan in artikel 1 lid 2 MRB).

Overwegingen en oordeel rechter:
Het hof gaat niet mee in de stelling dat artikel 69 van de Wet MRB niet voorziet in tegenbewijs en dat dit in strijd is met het EVRM. Het staat belanghebbende vrij om bewijs te leveren dat hij wel voldeed aan de eisen voor het voor het voeren van een handelaarskenteken. Dat hij dit bewijs niet (afdoende) kan leveren, is voor zijn rekening. [rov. 4.7]

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de naheffingsaanslag disproportioneel is en zijn beroep op het EVRM overweegt het Hof dat de Inspecteur niet heeft gesteld, en ook is niet gebleken, dat de motorrijtuigenbelasting ter zake van het handelaarskenteken niet is (aangegeven en) voldaan. In dit geval betreft de naheffing niet een naheffing van motorrijtuigenbelasting die wel verschuldigd zou zijn, maar niet is voldaan. De onderhavige naheffingsaanslag betreft dus een heffing om het niet-voldoen aan de wettelijke voorwaarden te bestraffen. Dit blijkt mede uit artikel 69 lid 2 MRB, op grond waarvan de nageheven belasting niet wordt berekend over een of meerdere tijdvakken, maar over een tijdsduur van twaalf maanden met als laatste dag de dag waarvan wordt geconstateerd dat op die dag niet wordt voldaan aan de wettelijke gestelde voorwaarden.

De naheffing is geen compensatie is voor onbetaald gebleven belasting maar moet worden gezien als bestraffing voor het niet-voldoen aan de de wettelijke voorwaarden voor het voeren van een groen kenteken. Voorts heeft de bepaling – gelet op de heffing over twaalf maanden – een afschrikwekkend karakter. Dit geeft de heffing een dusdanig afschrikwekkend en bestraffend karakter dat deze heffing moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM. [rov. 4.8 & 4.9]

Te dezer aanzien overweegt het Hof ook nog met inachtneming van een arrest van de Hoge Raad ( 26 november 2010, nr. 09/00749, LJN: BL6471 rov. 3.3.3.), dat het hier gaat om een naheffing op basis van een specifieke wettelijke bepaling die een afwijking vormt van de hoofdregel van naheffing op basis van artikel 20 AWR. De mogelijkheid van naheffen is gekoppeld aan een anders geformuleerde omstandigheid dan het niet-betaald zijn van de in een of meer bepaalde tijdvakken verschuldigde belasting. De naheffingsbevoegdheid van artikel 69 van de Wet MRB is gekoppeld aan de omstandigheid dat met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het voeren van een handelaarskenteken.

De omvang van de betwiste naheffingsaanslag weerspiegelt dan ook niet een in één of meer bepaalde tijdvakken belopen belastingschuld. Zij staat geheel los van eerder (niet-betaalde) verschuldigde belasting en de heffing is dan geen compensatie voor eerder onbetaald gebleven belasting. Deze conclusie wordt gesteund door de formulering van artikel 69 MRB op grond waarvan de nageheven belasting niet wordt berekend over een of meerdere tijdvakken maar over een tijdsduur van twaalf maanden. Dit brengt met zich dat niet sprake is van belasting die is verschuldigd ten tijde van de aanvang van een of meerdere tijdvakken die op aangifte zou zijn moeten voldaan. Verschuldigdheid van belasting en een betalingsverplichting zijn pas ontstaan ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag.

Alle overwegingen in ogenschouw nemend is het hof van oordeel dat deze specifieke naheffing een ‘criminal charge’ is in de zin van artikel 6 van het EVRM. In deze context acht het hof een heffing van € 350,- passend.

Conclusie:
De fiscus heeft gehandeld naar de letter van de wet en zowel een naheffing als een boete opgelegd. Overigens heeft de fiscus naar de letter van de wet ook volstrekt gelijk. Er is hier echter een samenloop van sancties omdat de naheffing ook moet worden gezien als een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. Het praktische effect hiervan is dat de naheffing eigenlijk al moet worden gezien als een boete. Dit vloeit voort uit het feit dat de naheffing niet wordt gebaseerd op daadwerkelijk verschuldigde belasting ten aanzien van een tijdvak. [rov. 4.10 t/m 4.12]

De boete bovenop de naheffing zou een dubbele bestraffing opleveren en dat is niet toegestaan net zo goed als in het strafrecht een veroordeelde niet tweemaal de strafmaat kan krijgen. Het hof schrapt derhalve de boete en stelt de naheffingsaanslag vast op een bedrag van € 350,-

Opgemerkt zij overigens dat het hier gaat om een cumulatie van maatregelen met een punitief karakter binnen het fiscale recht zelf. Het “echte” strafrecht uit het Wetboek van Strafrecht komt niet om de hoek kijken.

Bron:
LJN: BZ2784, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Geen dubbele straf voor rijden zonder handelaarskenteken via rechtspraak.nl

Comments closed.