Fiscaal strafrecht is een zeer specialistisch gebied in de advocatuur. Het gaat daar bij de (pseudo)strafrechtelijke handhaving van fiscale normen. Hierbij convergeren de in beginsel bestuursrechtelijke fiscale keten en de strafrechtketen. Strafrechtelijke handhaving stoelt op strikte beginselen en beperkingen die verband houden met de fundamentele beginselen en mensenrechten die het straf(proces)recht beheersen. Soortgelijke beperkingen zijn zichtbaar bij bestuurlijke handhaving die het karakter heeft van een strafvervolging. In het kader van deze samenloop heeft het HvJEU een bijzonder belangrijke uitspraak gedaan.

De feiten en rechtsvraag:
In deze zaak gaat het om een visser/vishandelaar genaamd Hans Åkerberg Fransson die door de Zweedse evenknie van de Belastingdienst ervan is beschuldigd dat hij in 2004 en 2005 zijn belastingaangifteverplichtingen niet is nagekomen. In 2007 heeft hij van de belastingdienst daarvoor boetes gekregen. Tegen die boetes is geen beroep ingesteld.

In 2009 is bij het Haparanda Tingsrätt (de plaatselijke rechtbank va Haparanda) strafvervolging tegen Åkerberg Fransson ingesteld. Het OM beschuldigt hem van belastingfraude over de jaren 2004 en 2005. Het feitencomplex waarop deze procedure is gebaseerd, te weten het verstrekken van onjuiste inlichtingen, is hetzelfde als die welke aanleiding heeft gegeven tot de belastingboetes.

De Zweedse rechter stelde naar aanleiding hiervan prejudiciële vragen aan het HvJEU. De vragen zijn eigenlijk tweeledig van aard:

  1. Moet de strafrechtelijke eis worden afgewezen op grond dat Åkerberg Fransson voor dezelfde feiten reeds is bestraft?
  2. Is de Zweedse rechterlijke praktijk die aan de verplichting om een bepaling die in strijd is met een door het EVRM en door het Handvest gewaarborgd grondrecht buiten toepassing te laten, de voorwaarde verbindt dat deze strijdigheid duidelijk uit de betrokken teksten of rechtspraak
    blijkt, in overeenstemming met het Unierecht?

Het gaat bij de eerste vraag om het ne bis in idem beginsel wat is vastgelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dit artikel luidt:

„Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

Overwegingen ten aanzien van de eerste vraag:
Het Hof stelt dat het ne-bis-in-idembeginsel er niet aan in de weg staat dat
een lidstaat voor dezelfde feiten een combinatie van fiscale en strafrechtelijke sancties oplegt. Staten zijn vrij om sancties op te leggen, het kan daarbij gaan om bestuurlijke sancties, strafrechtelijke sancties of een combinatie van beide. Dit is anders wanneer de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 van het Handvest en definitief is geworden. Dan staat deze bepaling eraan in de weg dat voor dezelfde feiten strafvervolging wordt ingesteld tegen dezelfde persoon. [punt 33 & 34]

Om vast te stellen of fiscale sancties als strafrechtelijk gezien moeten worden, zijn drie criteria relevant (arrest van 5 juni 2012, Bonda, C‑489/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 37):

  1. De juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht;
  2. De aard van de inbreuk;
  3. De aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.

Het is aan de nationale rechter om op grond van die criteria de in de nationale regelgeving voorgeschreven combinatie van fiscale en strafrechtelijke sancties of er moet worden getoetst aan de nationale maatstaven. In gevallen kan hij tot het oordeel komen dat deze combinatie in strijd is met deze maatstaven onder de voorwaarde dat de overblijvende sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. [punt 35 & 36]

Ten aanzien van de tweede vraag:
Eerst merkt het HvJEU op dat het Unierecht niet handelt over de verhouding tussen het EVRM en de rechtsordes van de lidstaten en evenmin welke gevolgen de nationale rechter moet verbinden aan een conflict tussen de door dat verdrag gewaarborgde rechten en een regel van nationaal recht. [punt 44]

Dat gezegd hebbende is het blijkens vaste rechtspraak zo dat de nationale rechter zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen van het Unierecht. Daarbij mag hij, zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing moet laten, zonder dat hij hoeft te vragen of af te wachten dat deze eerst door de wetgever of door enige andere constitutionele procedure wordt ingetrokken. Met andere woorden: een nationale rechter mag, indien nodig, het nationale recht volledig buiten werking stellen indien er sprake is van strijd met Unierecht.

Met de eisen verbonden aan het Unierecht is elke nationale bepaling die ertoe zou leiden dat aan de doeltreffendheid van het Unierecht wordt afgedaan, doordat de rechter die bevoegd is om dit recht toe te passen de macht wordt ontzegd om bij die toepassing zelf al het nodige te doen om de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van de Unieregels zouden kunnen verhinderen opzij te zetten, onverenigbaar. Met andere woorden: er is geen nationale rechtsmacht die de mogelijkheden van de rechter om gebruik te maken van het Unierecht kan beperken. [punt 45 & 46].

Het Unierecht staat dus in de weg aan een rechterlijke praktijk die aan de verplichting voor de nationale rechter om een bepaling die in strijd is met een door het Handvest gewaarborgd grondrecht buiten toepassing te laten, de voorwaarde verbindt dat deze strijdigheid duidelijk uit de bewoordingen van het Handvest of de daarop betrekking hebbende rechtspraak blijkt, aangezien
deze praktijk de nationale rechter de macht ontzegt om, in voorkomend geval in samenwerking met het Hof, volledig te beoordelen of die nationale bepaling verenigbaar is met het Handvest.

Conclusie:
Kort gezegd kan worden gesteld dat een fiscale en strafrechtelijke sanctie niet wederzijds uitsluitend zijn alsmede dat nationale bepalingen die beperkingen opleggen aan de rechter om Unierecht te toetsen strijdig zijn met het Unierecht. Ten aanzien van de samenloop van fiscale en strafrechtelijke sancties moet wel de nuancering worden aangebracht dat wanneer de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is en definitief is geworden in de zin van het Handvest, het ne-bis-in-idembeginsel een strafvervolging tegen dezelfde persoon voor hetzelfde feit blokkeert. Het is aan de nationale rechter om aan de hand van de eerder genoemde drie criteria te testen of de fiscale sanctie een strafrechtelijke sanctie is en of er getoetst moet worden aan nationale maatstaven.

Ten aanzien van de beperkingen van de het Unierecht hoeft het natuurlijk niet als een verrassing te komen dat een beperking (van toegang tot het Unierecht) niet getolereerd wordt door het HvJEU. Gezien de historisch ruime bevoegdheid die staten hebben ten aanzien van het heffen van belastingen en het bestraffen van de ontduiking ervan hoeft het ook niet als een verrassing te komen dat staten redelijk wat marge hebben waar het gaat om de samenloop van fiscale sancties en strafrechtelijke sancties.

Bron:
HvJ EU 26/02/2013, zaaknr. C-617/10, Fransson
Samenvatting zaak C-617/10, Fransson

Comments closed.