Tijd voor eens een prozaïsch vertellend stukje over recente en minder recente rechtsontwikkeling. In dit geval over de verhouding van de doorbrekingsjurisprudentie tot het rechtsmiddelenverbod van artikel 130 Rv. Voor het onderwerp zal gestart worden met de behandeling van rechtsmiddelen en doorbrekingsjurisprudentie in het algemeen waarna zal worden overgegaan tot de situatie omtrent artikel 130 en de daarbij behorende jurisprudentie in het bijzonder.

Appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie:
De materieelrechtelijke wetgeving bevat op tal van punten appèlverboden. Artikelen die de grenzen van beroepsmogelijkheden aangeven. Onder omstandigheden kunnen deze artikelen (gedeeltelijk) buiten werking worden gesteld. De middelen die dat mogelijk maken staan gezamenlijk bekend als de doorbrekingsjurisprudentie en behoren tot het vaste arsenaal van de Hoge Raad.

De verhouding van appèlverboden en de daaruit voortvloeiende doorbrekingsjurisprudentie is enigszins ongelukkig. De uitsluiting van onder normale omstandigheden gangbare rechtsmiddelen is ooit door de wetgever ingesteld om redenen die indertijd wellicht logisch en begrijpelijk waren. Heden heeft de rechtspraktijk zich daar behoorlijk van verwijderd. Uit de doorbrekingsjurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad bijzonder veel waarde hecht aan de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Het staat de rechter alleen niet vrij om een wettelijk appèlverbod zonder meer de nek om te draaien. De rechter gaat daarmee dan immers op de stoel van de wetgever zitten en dat ligt in de machtenscheidingsleer altijd gevoelig. Dat tere punt heeft uiteindelijk een ingewikkeld systeem tot resultaat gehad om de uitwassen van appèlverboden te kunnen bestrijden. Dat systeem bij elkaar is de doorbrekingsjurisprudentie.

Deze luidt dat een appèlverbod kan worden doorbroken indien:

  • de rechter buiten het toepassingsgebied van het artikel (waaraan het appèlverbod is verbonden) is getreden, of
  • de rechter het artikel (waaraan het appèlverbod is verbonden) ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of
  • de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.

De doorbrekingsjurisprudentie staat overigens ook te boek als de verruimingsjurisprudentie. Deze komt in talloze zaken naar voren, zij bijvoorbeeld HR 10 februari 2012, LJN BU7255, NJ 2012, 230

De eerste en tweede grond (ten onrechte (niet) toegepast) berusten op een restrictieve interpretatie van de wet. De derde grond is zonder meer een contra legem interpretatie. Daar is op zich weinig op tegen omdat de rechtvaardiging kan worden gevonden in het feit dat een eerlijke en onpartijdige behandeling een fundamenteel beginsel van het rechtssysteem is.

Het gehele stelsel van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie leidt niet altijd tot aantrekkelijke resultaten omdat met regelmaat onjuiste of onbevredigende uitspraken onaantastbaar (b)lijken te zijn en het procesrecht er niet bepaald overzichtelijker op wordt. Er gaan dan ook regelmatig stemmen op om het stelsel aan te passen. Het gaat echter helaas te ver om dat te behandelen.

Artikel 130 Rv.
Artikel 130 Rv. bevat een appèlverbod en behandelt de wijziging van de eis of de gronden daarvan. Art. 130 lid 1 Rv geeft regels voor het vermeerderen en/of veranderen van (de gronden van) de eis:

“Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.”

Art. 130 lid 2 Rv bepaalt dat tegen een beslissing van de rechter als in het eerste lid geen hogere voorziening openstaat. Overigens is een vermindering van eis altijd mogelijk zolang de rechter nog geen einduitspraak heeft gedaan, dit is geregeld in artikel 129 Rv.

Normaliter zou een hoger beroep toch geforceerd kunnen worden middels het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie. Bij artikel 130 Rv. kan dat echter niet. Daarmee neemt het artikel een uitzonderingspositie in. Welgeteld kunnen we daarmee eigenlijk uitzonderingen stapelen.

  • Hoofdregel: hoger beroep is mogelijk.
  • Uitzondering: hoger beroep is onmogelijk vanwege een wettelijk appèlverbod.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch mogelijk vanwege het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch nog onmogelijk vanwege het feit dat het artikel 130 Rv. betreft welke expliciet is uitgesloten van het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie.

Dit is een voorbeeld van waarom het systeem van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie zo verschrikkelijk gecompliceerd en onoverzichtelijk is. De oorzaak dat artikel 130 Rv. buiten de doorbrekingsjurisprudentie blijft moet overigens worden gezocht in andere jurisprudentie (die daarmee eigenlijk ook tot de doorbrekingsjurisprudentie moet worden gerekend.)

Het arrest Heep/Heep en latere verwarring:
In het arrest Heep/Heep (28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000/220) werd voor het eerst bepaald dat artikel 130 Rv. buiten het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie dient te blijven. De Hoge Raad overweegt daarbij de aard van de beslissing waar het om gaat doorslaggevend is.

“De beslissing wordt vooreerst daardoor gekenmerkt dat het gaat om een marginale toetsing: de rolrechter toetst immers – desgevraagd – enkel of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt. Voorts is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten. In beginsel kan eiser in een later stadium van het geding zijn eis immers wederom wijzigen dan wel de gewijzigde eis in een nieuw geding aan de rechter voorleggen.”

Het appèlverbod brengt in dit geval dus relatief weinig ernstige gevolgen met zich mee. Daarom is er weinig reden om artikel 130 Rv. onder de reikwijdte van de doorbrekingsjurisprudentie te brengen.

De leer uit het Heep/Heep arrest bleef lange tijd staan als een huis. Het duurde tot een nieuwe uitspraak in 2006 voordat er weer twijfel rees. Het is achteraf zeer waarschijnlijk dat de Hoge Raad dat niet beoogd had. In een beschikking van 12 mei 2006 (LJN AV8720) overwoog de Hoge Raad:

Uit de bestreden beschikking noch uit de gedingstukken blijkt dat de man op de voet van art. 283 Rv. in verbinding met art. 130 lid 1 Rv. bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek. Het hof heeft dus kennelijk die vermeerdering ambtshalve getoetst aan de in art. 130 lid 1 Rv. vermelde maatstaf. egen de uitkomst van deze toetsing staat ingevolge art. 130 lid 2 Rv. geen hogere voorziening open, zodat daarover in cassatie niet kan worden geklaagd. […] Waar echter de klachten van de man mede inhouden dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de art. 283 Rv en art. 130 lid 1 Rv., is de man in zoverre ontvankelijk te achten in zijn klachten. [rov. 3.3.2.]

Hoewel het er niet met zoveel woorden staat, lijkt de Hoge Raad hier te zeggen dat er een hoger beroep tegen artikel 130 Rv. wordt erkend. Dat betekent dan vemoedelijk ook dat artikel 130 Rv. onder de reikwijdte van de doorbrekingsjurisprudentie zal vallen.

Alle neuzen dezelfde kant op:
Het oordeel uit 2006 was wellicht eenmalig want in november 2012 (HR 16 november 2012, LJN BX0731) behandelde de Hoge Raad een zaak over de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Het hof had een aanvullend verzoek van de man (op grond van art. 283 jo. 362 en 130 lid 1 Rv) buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De Hoge Raad oordeelde dat tegen een zodanige beslissing geen voorziening mogelijk is op grond van art. 130 lid 2 Rv en dat gezien de aard van de beslissing ook de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is. De man werd vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. [rov. 3]

De Hoge Raad ging bij dat oordeel niet in op de eerdere zaak uit 2006. Er bleef dus nog twijfel achter of die zaak slechts als eenmalig gezien moet worden of dat we nog meer verrassingen moesten verwachten. Het was echter wel duidelijk geworden dat het arrest Heep/Heep nog steeds van kracht was.

In een recentere zaak van begin februari (HR 8 februari 2013, LJN BY2599) gaat de Hoge Raad wel in op de uitspraak van 2006. Het ging daarin om een huurzaak waarin het hof eiser niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat betrekking had op de afwijzing van de kantonrechter van zijn eisvermeerdering. Eiser in cassatie betoogde dat op grond van de beschikking uit 2006 dat het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij die zich op een doorbrekingsgrond beroept. De Hoge Raad moest in dit geval dus naar aanleiding van het middel wel ingaan op de beschikking uit 2006.

De Hoge Raad stelt dat het appèlverbod niet onder de werking van de doorbrekingsjurisprudentie valt. De aard van de beslissing op een verzet tegen een wijziging van eis was daarbij doorslaggevend. Nu die aard sedert 1999 niet is gewijzigd, ziet de Hoge Raad geen grond om thans anders te oordelen. Daaraan doet niet af dat de Hoge Raad in 2006 wel besliste dat het hof ten onrechte toepassing gaf aan art. 130 Rv. Daartoe overweegt de Hoge Raad:

“Het ging in die zaak om een klacht die gericht was tegen het oordeel van het hof omtrent de omvang van het geding na cassatie en verwijzing en de mogelijkheid om daarin door het aanvoeren van nieuwe stellingen of grieven dan wel door vermeerdering van het verzoek wijziging te brengen. Tegen een dergelijk oordeel staat cassatieberoep open blijkens deze beschikking, ook voor zover dat oordeel tevens kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent een vermeerdering van het verzoek. Een dergelijk geval is hier evenwel niet aan de orde.”

Er had dus al eerder cassatie en verwijzing plaatsgevonden en het hof stond het niet toe om de (gronden van) de eis te vermeerderen en/of te veranderen. In een dergelijk geval is cassatieberoep dus wel mogelijk ook voor zover het oordeel kan worden gezien als een beslissing over een vermeerdering van een verzoek. [rov. 3.6. & 3.7.]

Conclusie:
Er is nu eindelijk duidelijkheid over de rol van de beschikking uit 2006. Wel wordt het stelsel van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie nog weer een stukje langer. Het geheel komt er dan voor wat betreft artikel 130 Rv. zo uit te zien:

  • Hoofdregel: hoger beroep is mogelijk.
  • Uitzondering: hoger beroep is onmogelijk vanwege een wettelijk appèlverbod.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch mogelijk vanwege het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch nog onmogelijk vanwege het feit dat artikel 130 Rv. expliciet is uitgesloten van het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie. (arrest Heep/Heep)
  • Uitzondering: hoger beroep is toch weer mogelijk als het gaat om een oordeel van een hof omtrent de omvang van het geding na cassatie en verwijzing en de mogelijkheid om daarin door het aanvoeren van nieuwe stellingen of grieven dan wel door vermeerdering van het verzoek wijziging te brengen, ook voor zover dat oordeel tevens kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent een vermeerdering van het verzoek.

Met dit soort lastige en onoverzichtelijke constructies is het wellicht geen slecht idee om toch een keertje de appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie samen tegen het licht te houden en eens te bezien of dat niet wat simpeler gemaakt kan worden.

Bron:
HR 10 februari 2012, LJN BU7255, NJ 2012, 230 voorbeeld doorbrekingsjurisprudentie
HR 28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000/220 Arrest Heep/Heep (helaas nog geen tekst)
HR 12 mei 2006 LJN AV8720 beschikking uit 2006 die voor veel verwarring zorgde.
HR 16 november 2012, LJN BX0731 arrest van november 2012 wat helaas niet nader inging op de beschikking uit 2006
HR 8 februari 2013, LJN BY2599 meest recente zaak die wel inging op de beschikking uit 2006

Comments closed.