Onder omstandigheden mag een gemeente belastingen heffen. Gemeentes moeten net zozeer als het Rijk zorgvuldig te werk gaan bij het heffen van belastingen. Ten eerste mogen gemeentes slechts die belastingen heffen die een wettelijke basis hebben. Zo mag een gemeente hondenbelasting heffen, omdat deze is opgenomen in artikel 226 van de Gemeentewet. Kattenbelasting, goudvissenbelasting en caviabelasting staan in geen enkele wet vermeld en daarom mag de gemeente dergelijke belastingen ook niet heffen.

In onderhavige zaak krijgt de gemeente Sittard-Geleen de wacht aangezegd met betrekking tot het heffen van hondenbelasting op basis van het gelijkheidsbeginsel. Het vonnis behandelt overigens ook een WOZ-aanslag maar hier is weinig bijzonders over te melden dus die blijft verder buiten beschouwing.

De feiten:
Belanghebbende is houdster van één hond. De gemeente heft een hondenbelasting. De opbrengsten daarvan worden toegevoegd aan de algemene middelen. De belasting wordt geheven van alle inwoners die één of meer honden hebben, inwoners die geen hond hebben, zijn deze belasting niet verschuldigd.

Standpunt belanghebbende:
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden, omdat uit de Verordening op basis waarvan wordt geheven niet blijkt dat de hondenbelasting een bestemmingsheffing is. Het doel van de hondenbelasting is slechts gericht op het verkrijgen van inkomsten van de gemeente en niet op een doel, dat specifiek verband houdt met hetgeen honden teweeg brengen.[rov. 4.13]

In dat geval is het onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters irrelevant voor de heffing. Hondenbezitters worden benadeeld ten opzichte van niet-hondenbezitters omdat zij ten onrechte meer moeten bijdragen aan de algemene middelen van de gemeente. [rov. 4.13.]

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Het Hof is op grond van de parlementaire geschiedenis van artikel 226 van de Gemeentewet van oordeel dat de hondenbelasting een heffing met een zuiver fiscaal doel is. Het staat de gemeente daarbij vrij om de belasting als bestemmingsheffing dan wel ten gunste van de algemene middelen te heffen. Dit is af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2000, BNB 2000/272.[rov. 4.12.]

Volgens het Hof bestaat er een objectieve en redelijke grond bestaat voor het onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters indien aan twee voorwaarden is voldaan:

  • De kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengen moeten van wezenlijke betekenis zijn voor het heffen van de hondenbelasting
  • De hoogte van het bedrag moet mede zijn afgestemd op de kosten die de gemeente moet maken voor het hondenbezit. Daarbij behoeft niet de gehele opbrengst van de hondenbelasting te strekken tot delging van de door de gemeente te maken kosten uit hoofde van het hondenbezit.

De Heffingsambtenaar heeft verklaard, dat de hondenbelasting, zoals neergelegd in de Verordening, is gericht op het verkrijgen van algemene middelen voor de gemeente en dat de kosten verbonden aan het hondenbezit niet van wezenlijke betekenis zijn geweest voor het invoeren van die belasting. Het Hof ziet daarom geen redelijke en objectieve grond voor het heffen van deze belasting van alleen hondenbezitters. De Verordening mist derhalve verbindende kracht wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 Grondwet. De op de Verordening gebaseerde belastingaanslag moet worden vernietigd.[rov. 4.14.]

Conclusie:
Een gemeente mag hondenbelasting en mag daarbij kiezen of het een bestemmingsheffing is of een heffing ten bate van de algemene middelen. Dat is al eerder beslist door de Hoge Raad. Er zijn echter volgens het Hof nog twee voorwaarden voor het mogen heffen van de belasting.

Ten eerste moeten de kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengen van wezenlijke betekenis zijn voor het heffen van de hondenbelasting. Ten tweede moet de hoogte van het bedrag moet mede zijn afgestemd op de kosten die de gemeente moet maken voor het hondenbezit. Daarbij behoeft niet de gehele opbrengst van de hondenbelasting gebruikt te worden om de kosten van het hondenbezit te dekken.

De Heffingsambtenaar heeft verklaard dat de kosten verbonden aan het hondenbezit niet van wezenlijke betekenis zijn geweest voor het invoeren van de belasting. Daarmee is de belasting dus eigenlijk ingevoerd gewoon omdat het kon. Het vervolg is dan dat als er wezenlijke betekenis is, er ook geen redelijke en objectieve grond is voor het maken van een onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters en dat levert strijd op met het gelijkheidsbeginsel van in dit geval de Grondwet.

Deze uitspraak zal ongetwijfeld door veel gemeentes met belangstelling worden gelezen en er zal ongetwijfeld worden gekeken of er aan de voorwaarden voldaan is. Zo niet dan gaan misschien veel hondenbezitters een goed jaar tegemoet zonder de hondenbelasting.

Bron:
LJN: BY9350, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Comments closed.