In de Wet op de Omzetbelasting 1968 (OB) wordt de heffing van omzetbelasting ofwel BTW geheven. Deze wet vindt haar oorsprong in een Europese Richtlijn. Begrippen in de wet worden dan ook altijd conform de Richtlijn uitgelegd. Bij twijfel kan om een prejudiciële beslissing van het HvJEU verzocht worden. In onderhavige zaak gaat het om de vraag wanneer grond als bouwterrein moet worden aangemerkt. De beantwoording van die vraag is relevant omdat het de grens aangeeft tussen vrijgestelde en niet vrijgestelde prestaties.

Vrijstelling en bouwgrond in de wet:
Als vuistregel is een levering of dienst een belaste prestatie op grond van Hoofdstuk II afdeling 1. Een prestatie is echter vrijgesteld van BTW-heffing op het moment dat deze onder één van de situaties van art. 11 valt. Dit artikel bepaalt in lid 1 sub a ten eerste dat onder voorwaarden van de belasting zijn vrijgesteld: de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein.

Een bouwterrein wordt gedefinieerd in art. 11 lid 4 OB. Een bouwterrein is de onbebouwde grond waar met het oog op de toekomstige bebouwing aan, of in de omgeving van, die grond voorzieningen zijn getroffen, of bewerkingen aan de grond hebben plaatsgevonden, of een bouwvergunning is verleend.

De levering van een bouwterrein vormt dus een uitzondering op een uitzondering en is daarom niet vrijgesteld van BTW. Om samenloop met overdrachtsbelasting te voorkomen hebben we in de wet Belastingen van Rechtsverkeer (waar ook de overdrachtsbelasting onder valt) een samenloopvrijstelling zodat niet tweemaal belasting over hetzelfde is verschuldigd.

De feiten:
Op 13 november 2006 heeft de Woningstichting van de gemeente Maasdriel, de verkoper, een perceel grond gekocht. Er stond toen al een bestaand gebouw op. Naast het bestaande gebouw bevond zich op het perceel een openbaar, bestraat parkeerterrein.

In de koopovereenkomst werd opgenomen dat feitelijke levering zou geschieden “in bouwrijpe staat”. Zodoende zou de verkoper het bestaande gebouw slopen en de bestrating van het parkeerterrein verwijderen.

Levering van het perceel aan de Woningstichting geschiedde op het moment waarop de eigendom werd overgedragen. Deze eigendomsoverdracht vond plaats bij notariële acte van 2 maart 2007. Op die datum was het parkeerterrein nog steeds in gebruik, was de bestrating nog niet verwijderd en was voor de door de Woningstichting ontwikkelde bouwplannen nog geen bouwvergunning verleend.

De Woningstichting heeft over de betrokken levering btw betaald aan de verkoper, aangezien zij van mening was dat de levering een bouwterrein betrof en derhalve belast was met btw, zodat er geen overdrachtsbelasting was verschuldigd.

De Nederlandse rechter oordeelde in eerste en tweede aanleg dat het geen bouwterrein betrof omdat er na de sloop geen handelingen waren verricht die de grond tot bouwterrein maakten.[punt 8 t/m 21]

Oordeel en overwegingen van de rechter:
Volgens de nationale rechtspraak wordt het begrip „bewerkingen” aldus uitgelegd dat het zich niet uitstrekt tot sloopwerkzaamheden, zelfs wanneer vaststaat dat die werkzaamheden worden verricht met het oog op nieuwbouw. Echter met het oog op het beginsel van fiscale neutraliteit is het noodzakelijk dat alle onbebouwde terreinen die bestemd zijn als ondergrond voor een opstal, en, bijgevolg, om te worden bebouwd, onder die nationale definitie vallen. De wilsverklaring van partijen is voldoende voor een globale beoordeling van de de omstandigheden, mits die wilsverklaring objectief toetsbaar is.[punt 29 t/m 32]

Conclusie:
De aanleiding voor deze uitspraak moet worden gezocht in het Don Bosco arrest (HvJ EU Don Bosco, 19 november 2009, C-461/08). Ook in deze zaak was de afspraak: de verkoper sloopt geheel en levert bouwterrein aan koper. Levering vond al plaats op het moment dat slechts 1 wand was gesloopt. Volgens het HvJEU waren de sloop en levering tezamen 1 handeling en wordt vervolgens onbebouwde grond geleverd.

Met het Don Bosco arrest in hand oordeelde het gerechtshof Arnhem dan ook dat de verkoper onbebouwde grond had geleverd, aangezien het gebouw op het tijdstip van de levering reeds geheel was gesloopt en partijen waren overeengekomen dat de bestrating van het parkeerterrein na de levering voor rekening van de verkoper zou worden verwijderd. Dat is volstrekt logisch gezien de strekking van het Don Bosco arrest waar nog minder was gesloopt en onbebouwde grond werd geleverd.

Het Don Bosco arrest bevatte echter nog meer informatie. Het HvJEU merkte namelijk op dat: “het aan [de lidstaten] staat om te omschrijven welke terreinen als ‚bouwterreinen’ moeten worden aangemerkt […], met volledige inachtneming van de doelstelling van [de Zesde btw-richtlijn], die enkel de leveringen van onbebouwde terreinen die niet als ondergrond voor een opstal bestemd zijn, van btw vrijstelt”.

Nu deze Maasdriel-zaak bij de Hoge Raad kwam, vroeg deze zich af af of de vrijheid van de lidstaten om het begrip „bouwterrein” te omschrijven, een lidstaat toestaat de levering van onbebouwde grond die is ontstaan na sloop van bestaande gebouwen, vrij te stellen van btw, ook indien de sloop heeft plaatsgevonden met het oog op het opnieuw bebouwen van de grond. Met andere woorden: hoe dient het begrip bouwterrein uitgelegd te worden in het bijzonder wanneer er aan een perceel bewerkingen plaatsvinden?

De nationale rechtspraak gaat op dit vlak uit van een benadering in de trant van: iets is wel een bouwterrein als [voorwaarden]. Het HvJEU draait dit om met de benadering: iets isgeen bouwterrein als het onbebouwde terrein niet als ondergrond voor een gebouw bestemd is.

Daarmee is het HvJEU voor haar doen bijzonder expliciet in het vaststellen van een definitie nadat eerder in Don Bosco nog voor een hands-off aanpak werd gekozen. Een arrest als Maasdriel zat er natuurlijk vroeger of later aan te komen want waar eerder wordt gesteld dat lidstaten zelf mogen omschrijven wat bouwterreinen zijn, met inachtneming van de doelstellingen van de Zesde btw-richtlijn etc, komt vanzelf de vraag hoe ver de beleidsvrijheid precies reikt.

Voor de praktijk heeft deze uitspraak tot gevolg dat sneller sprake zal zijn van bouwgrond en dat de samenloopvrijstelling van de overdrachtsbelasting sneller van toepassing is. Het is niet ondenkbaar dat de overheid gaat kijken wat de begrotingstechnische impact hiervan is maar een geldbedrag komt toch binnen of via de BTW of via de overdrachtsbelasting.

Bron:
HvJ EU 17/01/2013, zaaknr. C-543/11, Maasdriel
HvJ EU Don Bosco, 19 november 2009, C-461/08

Comments closed.