Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Maar wanneer kan de tekortkoming de schuldenaar niet worden toegerekend? Over die vraag zijn vele arresten gewezen waarvan Oerlemans/Driessen een van de bekendere is. De in die zaak geformuleerde rechtsregel betrof een verkoop. In een recente zaak ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsregel naar analogie toe te passen.

Oerlemans/Driessen:
In de zaak Oerlemans/Driessen exploiteerde Driessen een rozenkwekerij. Voor de bemesting van de rozen gebruikte hij BioFer, wat aan hem verkocht werd door Oerlemans. Vanwege een verontreinigd vat Biofer leed Driessen schade. Driessen heeft Oerlemans aansprakelijk gesteld voor zijn schade op de grond dat het vat BioFer een herbicide bevatte waardoor de rozen kapot gingen. De rechtsvraag bij de Hoge Raad luidde: “Is non-conformiteit van een industrieel vervaarigde zaak voor risico van de verkoper?” De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend. De verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als onderhavige een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen. Dit zal slechts anders kunnen zijn in geval van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden zullen niet snel mogen worden aangenomen.

De feiten:
In de zaak die diende voor de rechtbank Oost-Brabant had een exploitant van koffieautomaten – Maas – een contract gesloten met T-Mobile. Dit betrof een exploitatiecontract, een zogeheten ‘full operating overeenkomst’, waarin stond dat de exploitant zich verplichtte tot het plaatsen, aansluiten, vullen en onderhouden van koffieautomaten. De exploitant bleef eigenaar van de koffieautomaten, het telecombedrijf was de gebruiker. Het betrof dus geen koopcontract zoals in Oerlemans/Driessen aan de orde was. Op enig moment is brand ontstaan in een pantry waarin één van de koffieautomaten stond. Twee deskundigen van verschillende bureaus die onderzoek hebben gedaan naar de oorzaak, concludeerden dat de brand moet zijn ontstaan door de koffieautomaat.

De verzekeraars van de telecomprovider vorderen een verklaring voor recht dat Maas aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de brand.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank is van oordeel dat indien komt vast te staan dat de brand is ontstaan door een gebrek in de koffieautomaat, Maas naar het oordeel van de rechtbank tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit deze overeenkomst. Niet alleen omdat er (tijdelijk) geen goed functionerend koffieautomaat bij T-Mobile heeft gestaan, maar ook omdat de door Maas geplaatste koffieautomaat schade heeft toegebracht aan T-Mobile. De vraag die partijen verdeeld houdt is of deze tekortkoming alsdan aan Maas kan worden toegerekend, ook indien Maas dit gebrek niet kende en ook niet behoefde te kennen. [r.o. 4.28]

Het is juist, zoals Maas aanvoert, dat in het onderhavige geval geen sprake is van koop zoals in de zaak Oerlemans/Driessen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de beslissing in bedoeld arrest hier analoog toe te passen. Ook in een geval als het onderhavige, waarbij een bedrijfsmatige eigenaar/exploitant van een (niet door hemzelf geproduceerde) automaat deze in gebruik geeft aan een ander maar de volledige (dagelijkse) zorg houdt voor het goed functioneren van de automaat, zoals beschreven in de full operating overeenkomst, heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat een gebrek in die automaat naar verkeersopvattingen in beginsel voor risico komt van de eigenaar/exploitant, ook als deze het gebrek niet kende en ook niet behoorde te kennen. Bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit beginsel rechtvaardigen, zijn door Maas niet gesteld. [r.o. 4.30].

Conclusie:
Hoewel het arrest Oerlemans/Driessen is gewezen voor een andersoortig verbintenis dan een exploitatieovereenkomst, ziet de rechtbank voldoende grond om het arrest naar analogie toe te passen. Er is namelijk sprake van een tekortkoming in een product wat schade veroorzaakt heeft. Slechts indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de tekortkoming niet aan de verkoper/exploitant worden toegerekend en daarvan is geen sprake.

De ratio van het arrest Oerlemans/Driessen is dat als jij iets levert wat schade veroorzaakt, je die schade zult moeten vergoeden. Met andere woorden, je kunt niet iets leveren wat niet deugdelijk is en vervolgens je handen er vanaf trekken. De koper is op deze manier altijd beschermd en de verkoper heeft een stevige incentive om er voor te zorgen dat hij deugdelijke producten levert want deze regel geldt zelfs als de verkoper het niet wist. Onwetendheid van zijde van verkoper kan de schade bij koper dus niet verexcuseren.

Gezien de ratio van het arrest is het niet meer dan logisch dat de rechtsregel niet slechts wordt toegepast bij koop maar ook bij exploitatie overeenkomsten waarbij een ondeugdelijk product wordt geleverd wat schade veroorzaakt.

Bron:
ECLI:NL:RBOBR:2015:1903