Betalingen op of rond de dag van een faillissement zijn vaak een aanleiding voor nauwkeurig onderzoek van de curator alsook van andere gedupeerden. Dit houdt onder meer verband met de terugwerkende kracht van het uitspreken van het faillissement tot 0.00u op de dag van faillietverklaring. De schuldenaar wordt vanaf dat moment beschikkingsonbevoegd. Wordt er toch beschikt over middelen, dan kan dat tot gevolg hebben dat je als bestuurder van een BV in persoon wordt aangesproken.

De feiten:
X is bestuurder en enig aandeelhouder van een holding met daaronder een werkmaatschappij. Op 5 juni 2013 vind ‘s ochtends een faillissementszitting plaats waarin het verzoek tot faillietverklaring van de werkmaatschappij wordt behandeld. X is bij die zitting aanwezig geweest. Vervolgens geeft X Rabobank opdracht om € 45.000,- over te boeken naar een buitenlandse bankrekening die toebehoort aan een partij waar dat bedrag oorspronkelijk vandaan kwam.

Later op de dag wordt de werkmaatschappij failliet verklaard. De curator verhaalt de € 45.000,- op Rabobank die dit bedrag ook heeft terugbetaald aan de boedel en dient dit bedrag in als concurrente vordering in het faillissement. Rabobank ontvangt van de curator de mededeling dat de boedel onvoldoende middelen bevat om een uitkering aan de concurrente schuldeisers te kunnen doen.

Vervolgens spreekt Rabobank X aan in privé uit hoofde van onrechtmatige daad.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat ingevolge artikel 23 Faillissementswet, de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer verliest over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Dat betekent dat X op 5 juni 2013 niet meer de beschikking en het beheer had over het saldo van haar bankrekening bij de Rabobank. De Rabobank heeft in opdracht van X op 5 juni 2013 niettemin een betaling verricht voor een bedrag van € 45.000,– en was, op grond van geldend recht (HR 28 april 2006, NJ 2006, 503 en HR 23 maart 2012, LJN: BV0614), gehouden om dit bedrag aan de curator te vergoeden. Rabobank heeft daardoor schade geleden.

De rechtbank beantwoordt de vraag of X – door het geven van de opdracht tot betaling – onrechtmatig jegens de Rabobank heeft gehandeld, bevestigend. De rechtbank legt daaraan ten grondslag dat:

  • X wist of had moeten weten dat hij onbevoegd was tot betaling van een bedrag van € 45.000,– aan een derde op de dag van het uitspreken van het faillissement van de werkmaatschappij, omdat dit volgt uit de wet. Daarbij komt dat X op de hoogte was van het (naderende) faillissement, omdat de Rabobank onweersproken heeft gesteld dat X die dag zelf bij de behandeling van de aanvraag tot het uitspreken van het faillissement aanwezig was.
  • X evenzeer wist of had moeten weten dat de Rabobank op grond van geldend recht gehouden is om dit bedrag aan de curator c.q. de faillissementsboedel te vergoeden. Hiermee heeft hij een op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens de Rabobank geschonden. Het verweer dat hij slechts rekening hoefde te houden met de belangen van de schuldeisers en niet met de belangen van de Rabobank, stuit af op deze zorgvuldigheidsverplichting. Deze verplichting houdt in dat op X – net als op ieder ander – een verantwoordelijkheid rust met betrekking tot de belangen van anderen, waaronder de Rabobank. Het verweer van zal om die reden worden verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de Rabobank schade heeft geleden voor een bedrag van € 45.000,–. Vanwege de betalingsopdracht gegeven door X is het causale verband gegeven. De Rabobank heeft dit bedrag, dat is afgeschreven van de bankrekening van de werkmaatschappij, uitbetaald aan de curator, terwijl zij dit bedrag (nog) niet teruggestort heeft gekregen van de derde naar wie het geld was overgemaakt. Het verweer van X dat de Rabobank (en/of de faillissementsboedel) niet is benadeeld, zal om die reden worden verworpen.

De Algemene Bankvoorwaarden 2009 geven Rabobank de bevoegdheid om creditering van een rekening van een cliënt door een beschikkingsonbevoegde of handelingsonbekwaam persoon ongedaan te maken. Een beroep hierop komt de Rabobank echter niet toe omdat de rekening waarnaar de € 45.000 was overgemaakt, een rekening betreft bij een buitenlandse bank.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het aan X moet worden toegegeven dat de Rabobank er óók voor had kunnen kiezen om te proberen het bedrag van € 45.000,– terug te vorderen van de derde naar wie dit bedrag is overgemaakt. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid van de Rabobank om er voor te kiezen om X aan te spreken nu X onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank. Dit klemt eens te meer daar X zelf de betalingsopdracht heeft gegeven en nu kennelijk van Rabobank inspanningen verwacht om dit weer ongedaan te maken.

Conclusie:
Voor wat betreft handelingen in de dagen die de opmaat vormen richting het faillissement en de daadwerkelijke dag van het faillissement zelf, gelden strikte regels. Uitspraken zoals deze bewijzen eens te meer dat het als bestuurder van een vennootschap zaak is om voorzichtig met dergelijke situaties aan te gaan want bij verkeerd handelen is het zeer goed mogelijk om in persoon te worden aangesproken.

Bron:
ECLI:NL:RBOVE:2015:1011